De Alblasserwaard in de zeventiende eeuw

In enkele vorige afleveringen van De Binnenwaard hebben we kunnen lezen over het in kaart brengen van de Alblasserwaard in de zeventiende eeuw. In dit artikel ontmoeten we Mattheüs van Nispen, de samensteller daarvan opnieuw.

In 1677 kreeg Mattheüs van Nispen die in 1672 was aangesteld als landmeter van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard de opdracht een topografische kaart van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden te maken. Kort daarvoor, namelijk op 14 oktober 1676 had Mattheüs die tevens boekverkoper was al opdracht gekregen om een boekje te maken van alle handvesten, keuren en reglementen van de Alblasserwaard. Alles bijeen in een boekje zou veel handiger zijn dan al die losse documenten. Het boekje verscheen in 1678 in druk. In de rekening over het jaar 1679 lezen we over het salaris van Van Nispen: Nogh komt de voorss. Van Nispen over het drucken van de Hantsvesten, Accoorden, Reglementen ende Ceuren van den Alblasserwaert in 12o, soo op schrijff als ander papier, door ordre van de Heeren van ’t Collegie volgens resolutie van den 14 october 1676 gedaen volgens declaratie, ordonnantie ende quitantie de somme van 168:2:0. De kosten bedroegen dus 168 gulden en 2 stuivers. In 1720 verscheen te Dordrecht de tweede druk, nu verzorgd door Mattheüs de Vries, de kleinzoon van Mattheüs van Nispen die evenals zijn grootvader Boekverkooper over de Visbrugge, in Erasmus was. De oorspronkelijke uitgave was kennelijk een gedegen werkstuk want in 1765 verscheen nog een derde druk, nu verzorgd door Teunis Horneer, boekdrukker en -verkoper te Gorinchem. De hiergenoemde tweede druk van 1720 is gebruikt voor het volgende.

Pagina 1 van het boekje begint met een korte Beschrijvingh van den selven. En omdat het interessant is te lezen hoe men in de zeventiende eeuw de Alblasserwaard zag en beschreef, nemen wij een groot deel daarvan woordelijk over. Al is de taal van die tijd niet altijd gemakkelijk leesbaar, is het met enige moeite wel te doen en te begrijpen.

Den Alblasser-Waert was eertijds een gedeelte van het Oudt-Batavia (?), ende daer na van het eerste Hollandt, ende op dien tijdt Noord-Hollandt, eer dat de Republijck, nu Hollandt, den naem Hollandt hadde aengenomen. De Landen van desen Waert plachten eertijds den naem te dragen van de Landen tusschen Leck ende Meruwe, gelijck dat uyt verscheyde oude Handt-vesten blijckt. Daer na heeft desen Waert sijnen naem verandert: ende heeft den naem van Alblasser-Waert aengenomen. Met den naem van Alblasser-Waert is desen Waert nu bekent. Den Alblasser-Waert leght tusschen de groote Rivieren Leck ende Merwede, zijnde beyde armen van den Rhijn, zijnde de voornaemste Rivieren van geheel Duytschlandt, welke Riviere de Rhijn zich by Schenken-Schans verdeelt, ende maeckt daer de Wael, ende wordt desen arm van den Rhijn een weynigh beneden het Huys te Louvesteyn met het invallen van de Riviere de Maes versterckt, gelijck die oock een weynigh lager by Gorinchemde Wateren uyt de Riviere de Linge ontfanckt, ende de naem van de Merwede aenneemt, ende neemt dan, sijnen loop langhs de Zuyd-zijde van desen Alblasser-Waert, ten grooten deel met eenen draey van de Stadt Dordrecht Noord-waerts aen ende valt op het eynde van Nieuw-leckerlandt in de Leck-wateren, die daer met malkanderen vereenigen.

Mattheüs van Nispen verklaart hier dus eerst, hoe na eerdere benamingen de naam Alblasserwaard in gebruik kwam. En vervolgens legt hij uitvoerig uit wat de grenzen van het beschreven gebied zijn. Wat wij nu Noord noemen is in de beschrijving Van Nispen een deel van de Merwede.

Dese eerdergenoemde Riviere de Maes is mede een sware Riviere, die en plachte sijnen loop hier mede niet te hebben, maer hadde sijnen cours by Zuyden het Huys te Bockhoten, ende alzoo naer Hedickhuysen, daer die nu toe-gedijckt is, ende soo voorts by Zuyden de stad Heusden, ende liep dan voorts volgens het Oude Canael, noch met den naem Maes bekent. Maer is de Riviere de Maes daer na verleydt, ende gebracht van Bockhoyen af ten grooten deel tussen BommelerWaert ende de Landen van Heusden en Altena door, daer deselve Riviere ter plaetsen voorsz. In de Wael valt, tot groote beswaernissen van den AlblasserWaert, daer zy met haren loop eertijdts niet ontrent en quam. Den rechten Rhijn, die eertijdts geloopen heeft van Wijck te Duyr-stede op Utrecht, en soo vervolgens op Woerden en Leyden, hebbende sijne uytlossinge neffens Rhijnsburg tusschen Catwijck op den Rhijn ende Noortwijck tot Catwijck op Zee, alwaer sij nu opgestopt is door eenen opgeworpen Duyn, loopt nu van Wijck te Duyrstede door een Nieuw Canael, dat nu den naem van Leck draeght, aan de Noord-zijde van den Alblasser-waert, invoegen dat den selven waert aen de Noordt, aen de West en aen de Zuyd-zijde de sware Wateren van den Rhijn heeft, die eertijds door den Yssel-stroom mede plachten te loopen, maer nu weynigh, alsoo dat die twee sware Rivieren, de Rhijn door beyde sijn voorsz. Armen ende de Maes, die van den Lingen noch al vry versterckt worden,hier genoegsaem voorby haren vollen loop hebben. Ende en is dat noch niet al, maer wordt desen Alblasser-Waert met alle vloeden, die veeltijds hier hoogh rijsen ende swaer gaen, oock aengespoelt, ende moet desen Alblasser-Waert met kracht van Dijcken, tot excessive kosten van de Ingesetenen, tegens de kracht ende overloop van de selve wateren bewaert worden.

Er wordt beschreven waar het vele water vandaan kwam en hoe kwetsbaar de Alblasserwaard in die tijd was door zijn ligging aan drie grote sware rivieren. Hij merkt daarbij op dat de Maas eerder een andere loop had maar dat die is afgedamd toegedijckt waardoor zijn water in de Waal stroomt tot groote beswaernisse van den Alblasser-Waert. Krachtige en dure dijken zijn nodig ter bescherming van de Alblasserwaard. Van Nispen beschrijft vervolgens de loop van de beschermende dijken.

Nemende sijn begin van Scherluynder-sloot, af, ende loopt door Hardinccvelt: Giessendam, Slydrecht, Papendrecht, Alblasserdam, Nieuw-leckerlandt, Streefkerck, Gelkenes, Gravelandt, Langerack, Ameyden en Thienhoven. Ende wort de Dijcx Schouw aen Scherluynder-sloot, daer den Alblasserwaerdt begint, ende ’t Landt van Arkel scheydt geheven, ende doorgebrocht tot een den Souwen-dijck toe. Desen Alblasser-Waert en is oock niet alleen beswaert met de sware ende hooge Buyten-dijcken, daer sy tegens de Leck en Wael mede dijcken, dat last ende swarigheydts genoeg waer voor soo eenen leegen Waert, die op het neder-eynde soo smal uytloopt, daer die sware hooge Dijcken niet verre van malkanderen leggen, maer moeten haer oock verseeckeren door Binne-dijcken tegens de Inbreuck van den Rhijn ende Wael-dijcken in de Hooge ende Lage Betuwe, welcke wateren in het inonderen van de selve Landen hier veel hooger rijsen, als de wateren van des Alblasser-Waerts Inbreuck, ende is daer tegens eerst gemaeckt eenen Binnen-Dijck, die den naam draeght van Souwen-Dijck, ende daer na den Dief-Dijck, eenen seer grooten en swaren Dijck, de welcke den 16. In Bloeymaent 1498, is gemeten, ende de slagen volgen hier na den anderen. Hier niet overgenomen.

Mattheüs van Nispen wijst erop dat een dijkbreuk in de Hoge en de Lage Betuwe veel meer water geeft dan een inbreuk in de Alblasserwaard zelf. Om daartegen te beschermen zijn binnendijken aangelegd, eerst de Zouwendijk en daarna de Diefdijk die veel zwaarder is.

Den Dief-dijck begint van de Leck af tot op de Linge toe; En is by occasie van de Inbreucke der Bovelanden binnen den Jare 1677, gemeten, en langh bevonden tot de Hoorn op de Linge toe, 2426 Roeden puts (Puttensche roeden), ende is enen gantsch swaren Dijck, daer voor in den Jare 1653, by het doorbreecken van den Rhijn ende Wael-Dijcken het boven-af komende Oppemvater wel 22 voeten hoogh gestaen heeft, ende dat tot twee diversche reysen binnen dat Jaer, ende was den selven Dijck doen in groot gevaer van door te breecken. Den Alblasser-Waert word seer licht met het water beswaert, ende moeten de binnewateren met kracht van Water-meulens door de Sluysen in den Dijck gelegen buyten gebrocht worden, ende zijn in den Alblasser-Waert twee notabele Waterschappen, een van den Over- en een van den Neder-Waert, dragende den naem van de Situatie van de selve Waerden, die hier droogh malen ende malen alle die Dorpen van den Alblasser-Waert, beneffens eenige naest-gelegene aen de west-zijde van den Souwendijck; gelijck. Uytgesondert Papendrecht, Nieuw-leckerlandt ende Streef-Kerck,die haer eygen Sluysen ende uytmalinge hebben. Om te toonen wie in die Waterschappen hare uytmalinge hebben, soo sullen wy de waterhoeven van beyde Waterschappen hier by voegen. Hier niet bijgevoegd.

Desen Waert en was in sijn eerste Dijckagie soo groot niet als hy nu wel is, want den Buyten-dijck van den selven Waert begon tot Horren-damme ende liep by Noorden de Giessen, ende dan van der Matena wederom af de Zijde op, gelyck dat uyt ’t overblijfsel van den Ouden-dijck, ende veel Walen oogschijnlijck nog kan worden afgenomen, ende waren doen de Landen van Scharluynen, Hardincxvelt ende Giessen-Nieuw-Kerck, de Buyten-landen van de Giessen, ende de landen van Papendrecht, Alblas, Alblasserdam, ende Nieuw-leckerlant, de Buyten-landen, gelegen buyten den Dijck, beginnende van de Matena ende streckende tot de Leck, die den naem hadde van Zijdewindt, gelijck in de Handtvest van Grave Floris, van desen Dijck ende Dijck recht (hier naer te brengen) te sien is. Wanneer dese Buyten-landen bedijckt sijn, daer van en vinden wij eygentlich geen bescheyt, doch het is waerschijnlijck dat de Landen buyten de Giessen gelegen ontrent den Jare 1366 bedijckt zijn, want van dien datum is de eerste Handtvest van het Overwaertsche Waterschap, dat de Heeren van den Over-waert genootsaekt zijn geweest te graven, om haer water te lossen, soo wanneer de Giessen was aengedijckt ende toegedamt. De Buyten-landen buyten den Dijck Zijdewindt gelegen, zijn ontrent dien tijd al mede bedijckt, want Hertoge Aelbrecht van Beyeren consenteert den Heeren van den Over-Waert in den Jaren 1365 Haer Waterschap te brengen door de Stevelander Brouck ende Nieuw-leckerlandt, om het selve achter ’t Elshoudt in de diepte van de Leck te lossen. Waer uyt dat blijkt, dat dese Buyten-landen doen al bedijckt waren. Met dese Dijckagien zijn de Giessen ende Alblas binnen gedijckt.

De Alblasserwaard was vroeger kleiner dan hij nu is maar door indijkingen is hij langzamerhand geworden zoals wij hem kennen. In het bovenstaande wordt iets van deze geschiedenis beschreven.

De Giessen was een groote Kreek of Kille, gelijck het oudt Canael genoeghsaem uytwijst, nam zijn oorspronck uyt de Wael, nu Merwede, ende hadde Giessemonde, gelegen in den Verdronken Waert de naem van de Mondt van de Giessen, soo een vermaerde Kille was de Giessen, liep tot Hornaer, alwaer van het Giessensche gat af tot op het eynde van Tempels-Vliet noch een Kille loopt, genaemt de Kromme Giessen, die een groote kromte ende een veelvoudige drayen heeft. Is seer diep, ende wordt gepresumeert (verondersteld) , dat de Giessen daer eertijdts zijnen loop gehadt heeft. Daer naer is de Giessen tot Giessendam toegedamt. De Alblas nam zijnen oorspronck mede uyt de Wael, nu Merwede, en was mede een groote en diepe Kille: gelijck ’t Canael dat uytwijst. Wilhelmus Haeda, in zijn ‘Historie van de Bisschoppen van Utrecht’, gewagh maeckende van eenige weder-gegeven plaetsen afgenomen in ’t Graefschap van Hollandt door Koningh Hendrick, in den Jare 1064. Maeckt gewagh van dese Alblas, als hy schrijft; Crempene IV Mansi de fine flumensis Alblas usque Merweda. Te Krimpen vier Wooningen van ’t eynde van de Riviere Alblas tot de Merwede. Doen was Alblas noch een Riviere.

De Giessen en de Alblas worden door Mattheüs van Nispen genoemd als rivieren met hun oorsprong uit de Waal, nu de Merwede. Ze worden door hem in dit stuk kennelijk niet gezien als dienende voor afvoer van het overtollige water uit de waard.

Bron: S. Ooms in By Clockgeluy 11e jaargang nr.2, september 2009

 

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ juni 2010.