De centrale keuken in oorlogstijd

Toen ik vanmorgen, zo rond 7 uur, de krant uit de brievenbus haalde, viel een kop boven een driekolommen artikel me op: ‘Veel voedsel verdwijnt in de vuilnisbak’. In het…

Toen ik vanmorgen, zo rond 7 uur, de krant uit de brievenbus haalde, viel een kop boven een driekolommen artikel me op: ‘Veel voedsel verdwijnt in de vuilnisbak’. In het artikel een opsomming van de grote hoeveelheden voedsel, die in de huishoudens dagelijks overschieten en dan maar in de vuilnisbak verdwijnen, ‘want morgen hebben we weer vers!’

Nu zult u zeggen; ‘Dat is voor ons geen nieuws, dat weten we al lang’ en menig oudere zal zich, net als wij, ergeren aan deze verspilling van goed voedsel. Misschien wordt er zelfs gezegd: ‘Geef het dan aan de dieren’, maar ook dat gaat niet meer op, want de huisdieren zijn allang als belangrijke klanten ontdekt door de voedselindustrie en in de supermarkten zijn hele vakken ingeruimd voor voedsel voor hond, kat en wat dies meer zij. Ook heeft niet iedereen een buurman, die konijnen houdt, of zelfs een geit of wat schapen, varkens of koeien. Dus: ‘gooi maar in de vuilnisbak’.

Maar wat heeft dat nu te maken met een tijdschrift van de Historische Vereniging?

Dat ga ik u uitleggen. Het was in de afgelopen zomer, dat mevrouw Vink, de volijverige secretaris van de Historische Vereniging, me opzocht met wat typewerk voor het verenigingsblad, wat ik normaal voor haar doe. Ze vertelde toen, dat bij het schonen van het gemeentearchief van Bleskensgraaf, wat papieren te voorschijn waren gekomen, die betrekking hadden op een centrale keuken, die in deze dorpen gefunctioneerd had in het einde van de oorlog. Omdat de stukken voor het gemeentearchief niet van waarde werden geacht, kreeg de Historische Vereniging Binnenwaard de papieren. En of ik daar misschien ook iets van wist? Nu heb ik de hele oorlog meegemaakt op het gemeentehuis van Oud-Alblas en ik herinner me heel goed, dat het voedsel daar werd aangevoerd in melkbussen en in de hal van het gemeentehuis werd uitgedeeld aan de gegadigden. Ik kon dus moeilijk zeggen, dat ik daar niets van wist. De volgende vraag lag voor de hand: ‘Wilt u dan, als ik de paperassen bij u breng, daar eens iets over schrijven voor het kwartaalblad?’ Ik ging akkoord, wel met de restrictie, dat dit voor mij herfst- en winterwerk is en dat ik in de zomer niet teveel achter de computer zit. Dat was geen bezwaar en juist vorige week was mevrouw Vink weer bij mij met wat typewerk en ze had gelijk de paperassen van de centrale keuken maar meegebracht.

En voor dat artikel was de kop in de krant van hedenmorgen reden genoeg om dat nu maar te schrijven! Ik denk dat vele jongeren vreemd op kijken, als ze horen, dat niet alleen in de grote steden – Rotterdam, Den Haag, Amsterdam – de voedselnood groot was, maar dat er ook in dorpen als Oud-Alblas, Bleskensgraaf enz., waar je bij wijze van spreken om het andere huis een boer had, grote voedselschaarste was. Want niet iedereen had een buurman-boer, die bereid en in staat was{!) zijn buurman regelmatig met een paar liter melk, een paar kilo aardappelen of, stel je voor, een klein stukje spek, te verwennen. En, laten we eerlijk zijn, ook niet elke buurman van de boer had het er in het verleden naar gemaakt, dat de boer zo gunstig over hem dacht. Wat was je dan gelukkig als ambtenaar, want je behoorde tot een klein groepje mensen voor wie gezorgd werd. Dat begon met de dominee, de burgemeester, schoolmeesters en ook de secretarieambtenaar werd niet vergeten.

Maar voor de andere inwoners was het veel, zeer veel moeilijker. Natuurlijk de man hielp wel eens hier en daar en liet zich betalen in natura, maar toen de tijd aanbrak, dat op de voedselbonnen, die regelmatig werden aangewezen voor het kopen van dit of van dat, niets te koop was, omdat er doodeenvoudig geen aanvoer van voedsel naar de winkelier was, werd schraalhans keukenmeester.

En over deze tijd moet ik dus een artikel schrijven. Nu is helaas bij de aangeleverde papieren niets, wat aan een verslag doet denken. Het merendeel heeft betrekking of de financiën en ik zal dus in mijn geheugen moeten graven om nog wat op papier te krijgen. Mochten er dan ook nog lezers zijn, die me betrappen op onjuistheden of onvolledigheden, ik vraag bij voorbaat excuus en nodig u uit, uw aanvullingen of correcties aan mij, dan wel aan mevrouw Vink, te melden.

Dan nu mijn verhaal:

Het zal begin 1945 geweest zijn, ik denk zo eind januari, begin februari, dat de heer K. Aantjes, bureauhouder te Bleskensgraaf van de voedselcommissaris, het initiatief nam om enkele vertegenwoordigers van de omliggende gemeenten Bleskensgraaf, Brandwijk, Molenaarsgraaf, Wijngaarden, Streefkerk en ook Oud-Alblas uit te nodigen voor een gesprek in Bleskensgraaf over een mogelijk op te richten centrale keuken. Er was één van de aanwezigen, die vroeg, onder welke titel ik daar nu aanwezig was. Immers, burgemeester van Oud-Alblas was toen de NSB-er Oldemans, deze was ook burgemeester van Alblasserdam. Aantjes wuifde dat weg, hij had duidelijk geen behoefte om met Oldemans kennis te maken. Een tweede vraag, hoe ik me dan dacht te verstaan met de burgemeester over deze zaak, werd eveneens op zij geschoven met: ‘Dat zal de heer Bouter zelf wel weten’. Toen konden we aan het eigenlijke doel van de samenkomst beginnen.

Aanvankelijk was er wat tegenstand tegen de gedachte van een officiële centrale keuken. De deelnemers moesten dan immers voedselbonnen inleveren om het voedsel te mogen betrekken, maar uit gegevens van de heer Aantjes bleek, dat dit ook belangrijke voordelen had, omdat een dergelijke keuken recht had op een zekere voedselverstrekking. Bovendien kon dan gebruik worden gemaakt van de faciliteiten van de Bleskensgraafse melkfabriek, waar het voedsel kon worden gekookt en er wellicht ook wat melk e.d. overschoot om wat vettigheid aan het voedsel toe te voegen. De vergadering ging akkoord en ging uiteen en is, voor zover mij bekend, nooit meer bijeen geweest voor een volgend gesprek. Iedereen ging in de eigen gemeente bekend maken, dat er voedsel betrokken kon worden, aan welke voorwaarden moest worden voldaan enzovoort. Verder moest het vervoer van Bleskensgraaf naar de diverse gemeenten geregeld worden en de uitgifte van het voedsel. Maar dat waren allemaal kleinigheden, het zwaartepunt lag in Bleskensgraaf, waar voor de aanvoer van het materiaal gezorgd moest worden. Gelukkig was daar het bureau van de heer Aantjes, die het leeuwendeel van dit werk voor zijn rekening nam. En de keuken floreerde! Tot zover het verhaal, zo uit mijn geheugen opgeschreven.

Uit de stukken, die mevrouw Vink bij me bracht, valt op te maken, dat de eerste verstrekking van voedsel plaats vond in de week van 26 februari 1945 en de laatste in de week van 25 juni 1945. Ja, want weliswaar was ons land op 5 mei 1945 bevrijd, dat betekende beslist niet, dat op 6 mei alle winkels bevoorraad werden. De distributie van voedsel bleef nog vrij lang gehandhaafd, er kwam een verstrekking van Zweeds wittebrood, er kwamen blikken vol kaakjes uit de militaire voorraden. Het einde van de vijandelijkheden betekende wel, dat de oorlog te land ten einde was, grote aantallen militairen gingen naar huis, naar Engeland, Australië, Zuid-Afrika en last but not least, Amerika en Canada. Ze lieten de aangevoerde voorraden ‘soldatenvoedsel’ achter en dat werd bij stukjes en beetjes in omloop gebracht. Ik herinner me nog ‘ham and eggs’ en ‘meat and vegetables’.

De laatste bescheiden dateren van 1946. De exploitatie van de centrale keuken had een batig saldo opgeleverd van f 1.377,98, maar deze gelden waren geblokkeerd en konden niet worden uitgedeeld. Tenslotte werd in september 1946 het geld toebedeeld aan de plaatselijke Groene Kruisverenigingen, die het geld ook weer op een geblokkeerde rekening kregen. Maar daarmede was het werk van de centrale keuken afgerond en beëindigd!

Nu wat gegevens:

Het aantal deelnemers begon in alle gemeenten wat bescheiden. Kennelijk waren er velen, die eerst wel eens wilden weten, wat voor voedsel (soep) men zou krijgen, maar het steeg vrij snel. Eind april/begin mei werden in alle gemeenten de hoogste aantallen bereikt, daarna nam het aantal deelnemers geleidelijk af tot midden mei, zodat eind mei besloten kon worden, het werk te beëindigen. Het hoogste aantal deelnemende gezinnen in de betreffende gemeenten: Bleskensgraaf 49 gezinnen, Brandwijk 37 gezinnen, Molenaarsgraaf 21 gezinnen, Oud-Alblas 47 gezinnen, Streefkerk 56 gezinnen en Wijngaarden 11 gezinnen. Het aantal liters soep kwam in totaal, in de gehele verstrekkingsperiode, op 37.390 liter! Voor één liter soep moest 60 cent worden betaald.

De gebruikte hoeveelheden om deze soep te maken bestonden uit: 12.963 kg aardappelen, 205 kg boter/vet, 13.943 kg groenten zoals bloemkool, erwten, wortelen, snijbonen, knollen, uien, diverse soorten kool, prei, peen, maar ook suikerbieten, selderij e.d. en 1.926 kg  vlees!

Zeker voor die tijd zeer respectabele hoeveelheden en zeker is door deze activiteit in een flink aantal gezinnen de ergste honger buiten de deur gehouden. Voor Oud-Alblas kan ik hier nog wat aan toe voegen: Het was natuurlijk niet voldoende, om naar het dorp, gemeentehuis, te gaan met een emmer om 4 of 6 of zelfs 8 liter soep te halen, dat spul werd wel warm aangevoerd, maar voordat het bij de mensen op tafel stond was het koud. Dus graag een beetje warm stoken. Maar om te stoken had je brandstof nodig en die was ook al niet overal aanwezig. Nu herinner ik mij, dat we in Oud-Alblas op zeker ogenblik daar het volgende op gevonden hadden. De gemeente kocht van een plaatselijke grondbezitter één of meer bomen, veelal wilgen, liet die door een paar vrijwilligers rooien en in stukken zagen. De inwoners konden dan tegen betaling, van een zeker bedrag om de onkosten te dekken, hout halen. Dat moesten ze dan zelf nog wel klein maken, maar ze konden stoken!

Voor het stoken (koken) werd in die dagen gebruik gemaakt van een noodkacheltje, Mayo genaamd. Dat had een plaatstalen buitenmantel van ongeveer 16 cm doorsnede, hij moest op de ring van een fornuis of kookkachel passen, met daarin een kleinere pijp van circa 8 cm doorsnede. Die was met twee pijpjes verbonden met de buitenmantel en in die kleine pijp stookte je kleine blokjes hout, turf of kolen. Het verbruik was door de kleine hoeveelheid zeer matig, maar het ding brandde als een lier! Ongetwijfeld is er veel soep van de centrale keuken op dit soort kacheltjes gekookt!

 

Dit artikel is eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ maart 2002.