De Melkfabriek: stroomlevering aan derden

Het bouwen van een fabriek is een belangrijke zaak en dus zou je verwachten dat de notulen van de bestuurs- en ledenvergaderingen in die tijd daar vol van zouden staan. Maar niets is minder waar, er is daarvan maar weinig in de notulen te vinden.

Het begint met de aankoop van een stukje grond voor de prijs van f. 1230 in mei 1908, waarop de fabriek gebouwd zou worden. En in een ledenvergadering (feitelijk aandeelhoudersvergadering, want het was in die tijd een N.V.) doet het bestuur verslag van de ingekomen inschrijvingen voor bouw en inrichting, maar de vergadering die het allemaal wat ingewikkeld vond, delegeerde daarom alles maar aan het bestuur. Over bedragen van aanbesteding en gunning van de bouw tasten we, alleen de notulen lezend, volledig in het duister. Wel werd genoteerd dat C. de Haas de architect was van de zuivelfabriek. Het is onbegrijpelijk dat in de notulen zo weinig is terug te vinden over zoiets belangrijks als de bouw van de fabriek. Waarschijnlijk werd er veel onderhands besproken en afgewikkeld en vond men het niet nodig om dat achteraf in de notulen vast te leggen. Dat het voor de kennis van de geschiedenis van belang zou kunnen zijn, besefte men toen niet.

Bouw en inrichting
Al in het eerste jaar werd een advertentie geplaatst voor een machinist bekend met elektriciteit. Hoewel de elektriciteit nog geheel in de kinderschoenen stond, zou er in de fabriek gebruik van gemaakt worden. In de weinige gegevens waarover we met betrekking tot de bouw en inrichting kunnen beschikken, bevindt zich een aantekening in de notulen, dat de heer De Hoop te Rotterdam een prijsopgaaf heeft ingediend voor de verlichting van de fabriek. Hoe men dat kon beoordelen werd niet vermeld, maar men vond de prijsopgaaf wat te hoog en besloot nog ergens anders prijsopgave te vragen. Bij wie dat zou worden gedaan, is niet genoteerd, maar later is er sprake van de rekening van de heer Mijnsen te Amsterdam voor de som van f. 1405,50 voor de installatie van het elektrisch licht.
Uit de notulen blijkt nergens iets over de bron waarvan de stroom betrokken zou moeten worden. Gezien de advertentie voor een machinist met kennis van elektriciteit, en wat later nog werd gevonden, kunnen we aannemen dat de fabriek zelf voor stroomopwekking heeft gezorgd.

Tentoonstelling
De bouw zal wel voorspoedig verlopen zijn, want in een vergadering in februari 1909 wordt besproken dat men de fabriek wilde tentoonstellen. Nu zouden we dat een open dag noemen, maar toen sprak men van een tentoonstelling, wat ook geen verkeerd woord is, maar tegenwoordig wordt het daar niet voor gebruikt. Er zou een toegangsprijs van 10 cent worden geheven, die ten goede zou komen aan het personeel dat na afloop alles weer moest schoonmaken. Kinderen zouden niet worden toegelaten. Hoewel de voorzitter had voorgesteld de opbrengst van de entreegelden voor de helft te bestemmen voor de armen van Bleskensgraaf, waren de andere commissarissen daar tegen, omrede zij er niets in zagen voor de armen te zorgen. Zij kwamen met het idee om alles aan het personeel te schenken. Er werd in de Schoonhovensche Courant en in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden een advertentie geplaatst waarin de kijkdag op zaterdag 20 februari 1909 werd aangekondigd. Op 21 december was bouw en inrichting zover gereed dat de eerste melk ontvangen en verwerkt kon worden.

De eerste steenlegging op 10 september 1908. Van links naar rechts: W. Koorevaar, aannemer; J. Noorland, uitvoerder metselwerk; J. Boekel, directeur; M.C. Schakel, secretaris; C. van den Berg, penningmeester; Ant. Bons, voorzitter; J. Brouwer, eerste opzichter; C. de Haas, architect en D. Buizer, tweede opzichter. Foto collectie HVB
De eerste steenlegging op 10 september 1908. Van links naar rechts: W. Koorevaar, aannemer; J. Noorland, uitvoerder metselwerk; J. Boekel, directeur; M.C. Schakel, secretaris; C. van den Berg, penningmeester; Ant. Bons, voorzitter; J. Brouwer, eerste opzichter; C. de Haas, architect en D. Buizer, tweede opzichter. Foto collectie HVB

Elektrische Centrale
Hoewel ook hierover weinig in de notulen is te vinden kunnen we aannemen dat men in 1911 tot de conclusie kwam, dat er te weinig stroom kon worden geproduceerd. Er was een grotere machine voor de opwekking van stroom nodig en de stroom die niet voor eigen gebruik nodig was, kon aan derden worden geleverd. Er werd namelijk besloten tot de oprichting van eene Electrice Centrale over te gaan voor de gemeenten Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf en Brandwijk en als er vele zich wilde aansluiten ook voor de gemeente Oud-Alblas. Ieder die zich wilde aansluiten zou f. 15,- moeten betalen voor de aanlegkosten. Men hoopte met deze centrale zelfs nog wat winst te kunnen maken.
Er werd een inschrijving gehouden voor het plaatsen van de elektrische geleiding. Aan de laagste inschrijver werd het werk gegund voor f. 222,-. Wat hieronder precies moet worden verstaan, is niet duidelijk. Later werd genotuleerd dat de plaatsing van de elektrische leiding zoals was gepland, niet was toegestaan omdat hij niet dichter dan op zes meter afstand van de telegraaf- en telefoongeleiding mocht worden aangebracht. Men besloot aan de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vergunning te vragen voor de aanleg op kleinere afstand van elkaar.
Maar toen er niet spoedig een antwoord van de minister kwam, besloot men de elektrische geleiding op de noordzijde van de Graafstroom tot Molenaarsgraaf reeds aan te brengen. Het eerder genoemde bedrag van f. 15,- voor de aanlegkosten, werd enige tijd later gewijzigd in f. 10,- en f. 5,- , afhankelijk van de grootte van de installatie.

De gemeente Molenaarsgraaf verzocht daarna nog prijsopgaaf omtrent de electrische verlichting der kom der gemeente. Maar de zaak begon wegens succes een beetje uit de hand te lopen, reden waarom het bestuur besloot eerst maar eens om raad, advies en kostenberekening naar ir. Van Capelle in Dordrecht te gaan.

Opnieuw een tentoonstelling
Nadat de nieuwe elektrische centrale was geplaatst, wilde men, trots als men daarop was, weer een tentoonstelling houden. Deze tentoonstelling zou gedurende zeven werkdagen open zijn tegen een entreegeld 25 centen per persoon. Om ook de kinderen van de vooruitgang van wetenschap en techniek, en in het bijzonder van de opwekking van elektrische stroom, kennis te laten nemen, werd aan de onderwijzers uit de gemeenten Bleskensgraaf, Oud-Alblas, Brandwijk en Molenaarsgraaf bericht, dat zij met de leerlingen van de drie hoogste klassen de tentoonstelling gratis mochten bezoeken. Commissarissen met hun gezin kregen vrijen toegang en aandeelhouders mochten met een dame op één dag gratis komen kijken. Ook verslaggevers van nieuwsbladen werden uitgenodigd het wonder te komen bezichtigen. Burgemeester en raadsleden van Bleskensgraaf werden eveneens uitgenodigd en de burgemeester werd verzocht de electrische tentoonstelling te openen. Van de andere gemeenten werd alleen de burgemeester uitgenodigd om de opening bij te wonen.
Door de directeur werd in een volgende vergadering nog medegedeeld, dat hij een aanbieding had ontvangen van een muziekhandelaar uit Dordrecht, om op de tentoonstelling met een elektrische piano te komen spelen. Hoewel dit idee enige tegenstand opriep, werd bij stemming toch besloten er gebruik van te maken, onder de voorwaarde alsdat niet meer als om het half uur een lied zal mogen worden gespeeld en dan in geen geval straatliederen. Men wilde er dus geen kermis van maken. De tentoonstelling werd waarschijnlijk goed bezocht, want hij leverde, na aftrek van de kosten, een batig saldo op van f. 91,41. Dat was mooi meegenomen!

In de maand Augustus zou ons bijna een onvoorziene ramp zijn overkomen, daar op een morgen omstreeks 9 uur onze fabriek aan de achterzijde door onbekende oorzaak in brand geraakte, doch door ’t vlugge en krachtig optreden onzer vrijwillige brandweer te dezer plaatse en ’t belangeloos doch ’t zeer gewaardeerde behulpzaam zijn van velen onzer ingezetenen is ’t mogen gelukken dit tot een kleine schade te beperken”
In de maand September rijpte in ons bestuur een plan dat al spoedig levensvatbaarheid bleek te bezitten, namelijk om aan onze inrichting een Electrische Centrale te verbinden. De capaciteit onzer machine stelde ons in de gelegenheid om met betrekkelijk lage kosten de gemeente BLESKENSGRAAF en MOLENAARSGRAAF van electrisch licht te voorzien. Hulde aan de gemeente BLESKENSGRAAF die in deze een goed voorbeeld gaf door direct op onze aanbieding in te gaan, en de kom der gemeente electrisch liet verlichten.
Langzamerhand kwamen er veel aansluitingen bij en op 1 Januari was dit aantal reeds geklommen tot 30. Dat er zeer vele mogen volgen is natuurlijk ons aller wensch
.
Om propaganda te maken voor ’t mooie nieuwe en practische nut der electriciteit is een tentoonstelling georganiseerd, die in alle opzichten uitstekend geslaagd is. Ruim 2000 bezoekers bezochten ondanks de slechte toestand der wegen deze tentoonstelling, wat reeds bewijst, dat velen zich voor ’t electrisch licht in onze Alblasserwaard interesseeren.

Slot
Zoals eerder al is opgemerkt zijn de notulen een beperkte bron van informatie, omdat niet alles werd genoteerd in de notulen van de bestuurs- en ledenvergaderingen. Hoe het bijvoorbeeld met de stroomlevering aan derden is verlopen, is in de notulen niet gevonden. Alleen de opmerking van een der leden in 1914 is nog vastgelegd. Hij was namelijk van mening dat de prijs van de stroom die aan gebruikers werd geleverd, te laag was. Met algemene stemmen werd toen besloten de prijs te verhogen met vijf centen en te brengen op 25 cent per kilowatt. Deze prijs zal wel inclusief van wat wij nu kennen als vast recht zijn geweest, maar als we rekening houden met de geldswaarde van toen, was het dure stroom. In 1918 verwierf het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf bedrijf van Dordrecht een concessie voor de levering van stroom in de gemeenten van de Alblasserwaard. Het G.E.B. nam de reeds bestaande installatie van de melkfabriek over en van de opbrengst kon aan de gebruikers nog een vergoeding worden uitgekeerd. De stroomlevering door de melkfabriek kon worden beëindigd, wat een goede zaak was, want hoewel men had gedacht er winst mee te kunnen maken, kwam daar niets van terecht.

Ook al bevatten de notulen te weinig gegevens om een totaalbeeld te krijgen van het functioneren van de fabriek, van de problemen en moeilijkheden waarvoor zij kwam te staan. Een groot respect voor de bestuursleden van het eerste uur is dan ook op zijn plaats. Zij droegen de verantwoordelijkheid; heel frequent vergaderden, dikwijls iedere week; stelden zich borg voor lopende kredieten van de fabriek; leenden ook zelf geld aan de fabriek; stelden zeer veel tijd beschikbaar; en voor zover bekend, dat alles zonder andere vergoeding dan wat zij evenals de andere aandeelhouders op hun aandelen ontvingen. Dat zij wel eens een verkeerde beslissing zullen hebben genomen, doet niets af aan de waardering die verdienen.

Bron. Notulenboeken Zuivelfabriek De Graafstroom.

 

Dit artikel is eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ september 2006