Gelijkheid in de polder

In oude archieven, en dan vooral in rechterlijke archieven, komen we nogal eens formuleringen tegen waaruit blijkt dat gehuwde vrouwen in die tijd niets in te brengen hadden. Het volgende voorbeeld zal dat duidelijk maken.

Adriaen Michielszoon, als man en voogd van Anna Gerritsdochter, tevoren weduwe van zaliger Pieter Pieterszoon, is met Adriaen Adriaenszoon Treur en Adam Adriaenszoon Oom, burgemeesters van Nieuwpoort, geaccordeerd inzake verminderde rentebetaling op door de stad van voorzegde Pieter Pieterszoon zaliger geleend geld.

Ter verduidelijking: de stad Nieuwpoort had van Pieter Pieterszoon geld geleend.
Pieter overleed en zijn weduwe hertrouwde met Adriaen Michielszoon. Laatstgenoemde, en niet Anna Gerritsdochter die de lening had meegebracht in haar tweede huwelijk, kwam met de stad overeen dat de rente op die lening zou worden verminderd. Anna kon dat niet zelf doen want in die tijd stond zij als getrouwde vrouw onder de voogdij van haar echtgenoot. Zij was onbekwaam om zelf die handelingen te verrichten en was er zelfs ook helemaal niet bij betrokken (al zullen ze er thuis waarschijnlijk wel over gesproken hebben)! Dit is slechts een voorbeeld dat voorhanden was, ze zijn in alle rechterlijke archieven te vinden.

Die ondergeschikte positie hebben vrouwen heel lang gehouden. Het is nog niet zo lang geleden dat een gehuwde man onroerend goed kon kopen en leningen kon aangaan zonder dat zijn vrouw daarbij betrokken behoefde te worden. Ook al stond zij niet meer wettelijk onder zijn voogdij. Als ze in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, kan dat nu niet meer. Ze moeten het nu beslist samen doen, want de vrouw heeft in zulke zaken evenveel te vertellen als de man.

Het kiesrecht heeft ook zo’n ontwikkeling door gemaakt. Vóór de Franse Tijd waren er in ons land de regenten die elkaar de bal toespeelden en alle zeggenschap hadden. Dat was afgelopen toen de Fransen in 1795 hier de baas werden en het heft in handen namen. En ook na de Franse Tijd, onder Willem I en Willem II was er van invloed van het volk nauwelijks sprake. De eerste Nederlandse koningen hielden daar niet zo van. De koning bepaalde liever zelf wat er moest gebeuren.
Op de duur ontstond er verzet tegen deze gang van zaken. Men vond dat het parlement meer te zeggen moest krijgen. De koning die een revolutie vreesde, en die wilde voorkomen, gaf in 1848 Jan Rudolf Thorbecke opdracht een nieuwe grondwet op te stellen.

Een prachtige tekening van Willem II, nog voor hij koning werd. Herkomst tekening onbekend.

Het resultaat van die nieuwe grondwet was, dat de koning een flink deel van zijn macht verloor aan de ministers, die op hun beurt weer afhankelijk waren van het parlement. Maar daarmee was Nederland nog geen democratie. Een democratie wil namelijk zeggen, dat het volk regeert. Het kiesrecht bleef echter lange tijd beperkt tot een kleine groep Nederlanders, namelijk degenen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden. Bij de grondwetsherziening van 1887 verruimde het kiesrecht van ruim 122.000 tot ruim 292.000 mannen , d.w.z. van ongeveer 6,4 % tot ongeveer 13,9 % van de volwassen bevolking. In 1896 groeide dat aantal tot ongeveer de helft van de volwassen mannen, en in 1901 kwamen er door de toenemende welvaart nog meer stemgerechtigden bij.
Het waren alleen mannen die stemrecht hadden. Vrouwen hadden nog steeds niets in te brengen. Voor vrouwenkiesrecht werd echter geijverd door de bekende radicale feministe Wilhelmina E. Drucker uit Amsterdam.
In 1917 kwam er een grondwetswijzing waarmee een algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd. Vrouwenkiesrecht kwam er pas met de grondwetswijziging van 1922.Toen kregen vrouwen zowel actief als passief kiesrecht.

We zijn nu zover geëmancipeerd dat we het gewoon vinden dat er ook vrouwen in de regering en het parlement, en in veel andere organen en verenigingsbesturen zitten

Maar wat heeft dat nu allemaal met de polder te maken, zoals de titel boven dit stukje suggereert? Uit het onderstaande zal duidelijk worden waarom het bovenstaande werd geschreven.

De polder
Onlangs kreeg ik een boekje ter inzage met de titel:
Algemeen Reglement voor de polders in de Provincie Zuid-Holland ¹

Dit reglement gaat over de organisatie en werkwijze van de besturen van polders en heemraadschappen, en was opgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland. Het werd met ingang van 1 januari 1914 van kracht.
Het reglement is op zich een uiterst saai stuk over de voorschriften waaraan de besturen, op order van het provinciaal bestuur, moesten voldoen. Eén enkel begrip daaruit wil ik hier wat onder het licht houden.

Vrouwenkiesrecht
Wat heeft een polderbestuur nu te maken met vrouwenkiesrecht? Meer dan u nu in eerste instantie wellicht denkt, hoewel in het genoemde reglement het woord vrouwenkiesrecht niet eens voorkomt. Er is wel in bepaald, dat stemgerechtigde ingelanden waren: alle natuurlijke personen en rechtspersonen die, volgens de kadastrale registers, alleen of met iemand anders land of water in de polder in eigendom, erfpacht of vruchtgebruik hadden. Iedereen die zijn eigendommen zelf beheerde was stemgerechtigd.
Alle natuurlijke personen, dus ook vrouwen! Zij stonden in dezen volkomen gelijk aan mannen en konden ook zelf hun stem uitbrengen.

Maar het gaat nog verder. Om tot lid van het bestuur te kunnen worden benoemd moest men Nederlander zijn, de leeftijd van 27 jaren hebben bereikt en nog geen 70 jaren oud zijn.
Men moest Nederlander zijn, dat gold opnieuw evenzeer voor mannen als voor vrouwen. Vrouwen waren dus evenals mannen verkiesbaar in het bestuur van een polder, zij konden zelfs tot voorzitter of secretaris worden gekozen. Vrouwen kregen met deze formuleringen, voor zover het besturen van polders en heemraadschappen betreft, zowel actief als passief kiesrecht.

Als u weet dat het betreffende reglement, zoals boven al is vermeld, met ingang van 1 januari l914 van kracht werd, en dat het algemeen vrouwenkiesrecht pas in 1922 in de Grondwet werd verankerd, dan kunnen we niet anders zeggen dan, dat de polderbesturen met hun emancipatiebeleid de tijd jaren vooruit waren.

Het platteland wordt nogal eens afgeschilderd als behoudender dan de steden. In dit geval blijkt juist hoe vooruitstrevend men toen al was. Al gebiedt de eerlijkheid wel te zeggen, dat deze voorschriften niet uit eigen kring voortkwamen, maar van hogerhand waren opgelegd (dat kon ook niet anders omdat een polderbestuur een openbaar bestuursorgaan is). En als we bedenken dat de meeste ingelanden, de stemgerechtigden, mannen zullen zijn geweest, is het nog maar de vraag of het passief kiesrecht voor vrouwen inderdaad heeft geleid tot vrouwelijke leden van een polderbestuur. Om van een vrouwelijke voorzitter maar helemaal te zwijgen.
Maar een recht hebben op iets is voor velen al genoeg! Het recht kunnen uitoefenen is nog iets anders.

¹ Uitgave.N. Samson-1913-Alphen (ZH)

 

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ december 2006.