Het rijwielbelastingplaatje

Zoals men nu sinds enige tijd als persoon op de openbare weg een identiteitsbewijs bij zich moet hebben, was men vroeger verplicht aan te tonen dat belasting was betaald voor het gebruik van de fiets waarop men reed. Dat kon door een rijwiel belastingplaatje dat zichtbaar aan de fiets was bevestigd of door de fietser werd gedragen.

Het bedoelde rijwielbelastingplaatje werd zo verfoeid, dat het nog steeds in de herinnering bewaard gebleven is, vooral bij degenen die het hebben meegemaakt. Hoewel het al in 1941 werd afgeschaft, zullen er weinig mensen zijn die er nooit van hebben gehoord.
Zoals de naam al zegt, ging het om een belastingmaatregel. Ook in die tijd was de bodem van de schatkist wel eens zichtbaar en in zo’n situatie wordt er gezocht naar mogelijkheden om die bodem weer wat te bedekken. In 1924 moest er niet alleen worden bezuinigd, er moesten ook extra inkomsten worden gevonden. En omdat het aantal fietsen in ons land steeds toenam, zag de minister daar een goede inkomensbron voor de staat in. Al spoedig na het bekend worden van die plannen kwam er verzet tegen en verschenen er spotgedichten en -liedjes in kranten en tijdschriften. Een voorbeeld daarvan is het volgende rijmpje:

Hein Colijn, zit voor het raam

Drinkt zijn advocaatje
Daarbij kijkt hij door het raam
Naar een rijwielplaatje
Tien miljoen is ’t tekort
Geloof maar dat het waar is
En de armen krijgen nu
Korting van salaris.

Toch was het geen nieuw idee om belasting op fietsen te heffen, want iets dergelijks was er al eerder geweest.
In de jaren zestig van de negentiende eeuw was de fiets met trappers en ketting in gebruik gekomen, nadat men vanaf 1817 de draizine, de loopfiets, had gekend. Het aantal fietsen nam daarna sterk toe. In 1892 kwam de stad Gouda, die geld nodig had, op het idee om fietsen of velocipèdes te belasten met vijf gulden per jaar. Andere gemeenten volgden, dikwijls met van elkaar afwijkende bedragen. Grote steden, als Amsterdam en Rotterdam hadden plannen in dezelfde richting en ook de provincie Noord-Brabant zag er een inkomensbron in en volgde in 1896 met een bedrag van eveneens vijf gulden der jaar.

Hendrik Colijn. Potloodtekening A.C. de Neve.
Collectie Belasting & Douane Museum, Rotterdam.

Omdat er grote verschillen bestonden in aanpak en bedrag, werd aangedrongen op een landelijke regeling, die er met ingang van 1897 ook kwam. De fietsbelasting werd gekoppeld aan de Personele Belasting en bedroeg twee gulden per rijwiel voor het vervoer van één persoon, en vier gulden voor een fiets voor meer personen. Hoe de controle op de fietsbelasting in de praktijk ging, kon niet worden nagegaan, want een rijwielkaart waarmee controle mogelijk was, lag wel in de bedoeling, maar is nooit ingevoerd.

In 1919 was het parlement van mening dat het hebben van een fiets niet langer kon worden beschouwd als een teken van welstand en schafte de daarop betrekking hebbende belastingwet af. Er waren toen 861.500 belastbare fietsen in ons land. Het afschaffen van een dergelijke wet krijgt altijd meer waardering dan het invoeren ervan. Zo ook in dit geval. Maar het zou niet lang duren.

Het was het Kabinet Ruys de Beerenbrouck II (1922-1925), waarin Hendrik Colijn Minister van Financiën was, dat aan het parlement goedkeuring vroeg voor de hernieuwde invoering van een fietsbelasting. Hoewel het een dergelijke maatregel wel betreurde, achtte men hem noodzakelijk voor ’s lands financiën. Op 14 mei 1924 ging de Tweede Kamer met 64 tegen 15 stemmen akkoord en op 3 juni van dat jaar stemde ook de Eerste Kamer ermee in. De belasting, die gold voor de fiets en niet voor de fietser, werd op 1 augustus 1924 ingevoerd. Op het postkantoor kon de belasting worden voldaan door de aankoop van een metalen plaatje ter waarde van drie gulden dat een jaar geldig was. Dat metalen plaatje moest zichtbaar op de fiets zijn bevestigd. Kinderfietsjes, fietsen van gehandicapten, van land- en zeemacht, PTT, politie, diplomaten ,en van tijdelijk in ons land verblijvende vreemdelingen waren vrijgesteld.

Het rijwielbelastingplaatje was bekend onder verschillende benamingen, zoals belastingplaatje en fietsplaatje, maar het was zo berucht dat met alleen ‘plaatje’ ook iedereen wist waarover het ging.
De wet zou een tijdelijk karakter hebben en in 1930 weer vervallen, maar tegen die tijd waren de financiën nog zodanig, dat men hem noodgedwongen verlengde.

De ANWB, die toen nog een echte bond van wielrijders was, protesteerde tegen de wet, omdat men hem in strijd vond met de billijkheid en het algemeen belang. Men had onder meer als argument dat de wegen harder sleten van de schoenen van de voetgangers, dan van de banden van de fietsen. Een ander argument was ook, dat het rijwiel een krachtig middel was in de drankbestrijding! Een wat vreemd argument. Zouden ze hiermee hebben bedoeld wat wij nu verstaan onder ‘bij snelverkeer geen alcohol’?

In 1924 waren er in Nederland ruim 1,7 miljoen belastbare fietsen. Maar uitgaande van de gedachte dat niet alle fietsen tegelijk in gebruik zouden zijn, kocht een gezin dat meerdere fietsen bezat meestal niet voor elke fiets een belastingplaatje. Een bedrag van drie gulden was in die tijd heel wat en al werd dat in 1927 verlaagd tot 2,50 gulden, men schafte een belastingplaatje slechts aan als het niet anders kon. Als fietsen niet dagelijks nodig waren, volstond men dikwijls met de aanschaf van slechts één plaatje per gezin. Het belastingplaatje gold voor de fiets, maar alleen als hij op de weg kwam. Als het voorkwam dat meerdere fietsen toch tegelijk gebruikt moesten worden en men slechts één plaatje had, dan ging men naar de buren om een belastingplaatje te lenen. Dat deden veel mensen, zeker op het platteland waar burenhulp nog hoog in het vaandel staat. Zo waren er wellicht meer fietsen waarvoor geen belasting was betaald, dan waarvoor dat wel was gedaan. Kortom, als de Minister van Financiën het berekende aantal fietsen in ons land had vermenigvuldigd met het bedrag per fiets, zal hij bedrogen uitgekomen zijn. Maar wellicht heeft hij er rekening mee gehouden dat belasting betalen voor niemand een favoriete bezigheid is.

Werklozen waren weer een heel ander geval. Ze kregen geldelijke steun van de overheid omdat uitkeringen van sociale verzekeringen zoals wij die nu kennen, nog niet bestonden. Deze steuntrekkers, zoals ze werden aangeduid, mochten niet stiekem iets bijverdienen en om te kunnen bewijzen dat ze dat niet deden, moesten ze zich op gezette tijden melden. Dat werd stempelen genoemd. Deze stempelende steuntrekkers, die niet altijd dicht bij de bedoelde stempelplaats woonden, hadden geen geld om een rijwielbelastingplaatje te kopen om er per fiets heen te kunnen gaan. Ze kregen daarom allemaal een gratis plaatje. Ten teken dat het een gratis plaatje was, was er in het midden een gat aangebracht.
Omdat een rijwielplaatje zichtbaar gedragen of aan de fiets bevestigd moest worden, was het dus voor iedereen zichtbaar dat het iemand betrof die een uitkering kreeg. Zijn armoede werd zo voor iedereen zichtbaar gemaakt. Nu zouden we spreken van discriminatie van de armen, maar toen vond men dat wel aanvaardbaar. Er waren zelfs mensen die jaloers waren op de steuntrekkers, omdat die zo’n kostbaar plaatje gratis kregen! De rijwielplaatjes met een gat mochten niet door niet-werklozen worden gebruikt. Op het platteland was dat heel gemakkelijk te controleren, omdat de plaatselijke veldwachter, de diender, zijn plaatsgenoten wel kende. Maar in de grotere gemeenschappen was dat moeilijker, omdat een overtreder zich daar gemakkelijker voor een ander kon uitgeven. Een identificatieplicht zoals nu, bestond toen niet.

De collectie fietsplaatjes van de Historische Vereniging Binnenwaard. Foto Joke Karelse.

Hoe gedisciplineerd men in die tijd ook was, men probeerde toch wel eens met een fiets zonder belastingplaatje de weg op te gaan. In zo’n geval lette men goed op of de diender niet in de buurt was, want niet alleen de diender kende alle mensen, de mensen kenden hem ook. Als hij in de verte al of niet in uniform, werd gesignaleerd, was het een klein kunstje om even met fiets en al bij iemand aan te gaan om hem te ontlopen.
Het plaatje moest oorspronkelijk aan het stuur zijn bevestigd, maar omdat het lastig was om het er, ter voorkoming van diefstal steeds af te halen, mocht het later ook op de kleding van de linkerborsthelft worden gedragen. Dat was vooral voor mensen die voor hun werk langs de woningen moesten gaan, een grote verbetering. Er bestonden speciale etuitjes met een riempje waarmee het belastingplaatje gemakkelijk zowel aan het stuur kon worden gehangen als door een knoopsgat van de jas was te dragen.
Nu zal dat niet meer zo gauw gebeuren, maar toen was de controle op een landelijke belastingmaatregel toevertrouwd aan de plaatselijke politie. Er werden spotliedjes over gemaakt, zoals het volgende, dat verscheen in een kroniek van de katholieke geïllustreerde pers uit 1921 . Het eerste vers luidde als volgt:

Rijwielplaatjesjacht
’t Jachtseizoen is weer geopend

Op de plaatjesloze fiets;
’t Is zowaar een aardig kijkspel;
Bovendien kost ’t je niets.
Bij dozijnen zie ‘k ze sneven;
‘Afstappen’, klinkt het bevel.
Wat de overtreder krijgt, nou
Dat begrijpt u zeker wel …!

Omdat het bezit van een rijwielplaatje hoog werd gewaardeerd, werden ze dikwijls gestolen. In 1933 werden er in Rotterdam niet minder dan 13.201 bekeuringen uitgedeeld voor diefstal van een rijwielbelastingplaatje. Er was zelfs sprake van een illegale plaatjesbeurs waar ze werden verhandeld. Exacte cijfers over de diefstallen zijn er niet, maar op een gegeven moment schatte men, dat de helft van alle plaatjes minstens één maal per jaar werd gestolen. Het lijkt voor de overheid een goede zaak te zijn geweest, gestolen plaatjes moesten worden vervangen en de bekeuringen brachten ook nog wat op.
Om diefstal tegen te gaan werd van alles verzonnen, zoals door het Sanatorium Zonnestraal in Hilversum, dat een grijpstuiver verdiende met het door patiënten in rijwielplaatjes laten ponsen van de naam van de eigenaar.
Zo’n aan de fiets of op de kleding gedragen plaatje kon ook worden verloren en dat gebeurde nogal eens. Men was dan wel genoodzaakt een nieuw aan te schaffen. En als het een geleend exemplaar was, kon het ook nog wel tot problemen met de buren leiden omdat ook het etuitje waarin zo’n leenplaatje meestal zat, verloren was gegaan.

 

In 1940 waren er op 8,8 miljoen inwoners 3,6 miljoen belastbare fietsen, die iets meer dan 9 miljoen gulden opbrachten. Daarnaast waren er nog 442.113 kosteloze plaatjes in omloop. Tot vreugde van iedereen werd per 1 mei 1941 de rijwielbelasting door de Duitsers afgeschaft. Maar in ongeveer dezelfde tijd werd een Persoonsbewijs ingevoerd. Hadden deze maatregelen met elkaar te maken? Was het om de Nederlanders met het eerste gunstig te stemmen voor de invoering van het tweede? De Nederlandse bevolking was blij dat het rijwielbelastingplaatje verdween, maar had nog niet door wat de bedoeling was met het Persoonsbewijs.
De belastingplaatjes waren nu weg, maar al spoedig daarna verdwenen ook de fietsen …. !

Toen het rijwielbelastingplaatje verdween kwamen er opnieuw liedjes in omloop, zoals van de toen bekende Rotterdamse volksdichter Koos Speenhof. Hij schreef:

Het Rijwielplaatje

Rust in vrede, rijwielplaatje,
Ach uw heengaan smart ons niets.
Wil voor eeuwig van ons scheiden,
Leve …… onze vrije fiets.
Op de borst geen ridderorde,
Voor belastingeerlijkheid.
En al moppert de ontvanger,
Dat gemodder zijn wij kwijt..

Hierna volgden nog twee coupletten waarmee hij de opluchting van de bevolking onder woorden bracht.

Na de oorlog is de wederinvoering van de rijwielbelasting nog wel ter sprake geweest, maar de fiscus wist genoeg andere bronnen aan te boren zodat zij niet meer nodig was!

Nog steeds leeft de herinnering aan het beruchte rijwielbelastingplaatje voort en er bestaat zelfs een Stichting Het Nederlandsche Rijwielbelastingplaatje die de kennis van en de belangstelling voor het plaatje in stand wil houden.

 

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ september 2009.