Van krullenjongen tot rietdekker – deel 3

Toen mijn vader in 1950 het scheepje van Van Mil kocht, had hij ook de zand- en grindhandel van A. van Huuksloot overgenomen. Van deze Van Huuksloot had mijn vader destijds de Koopmans Welvaren gekocht.

De zandhandel
We handelden zowel in metselzand als in ophoogzand. Metselzand, schoonzand genoemd, haalden we in Vreeswijk voor f 1,50 per ton. De meeste boeren en ook sommige burgers hadden een zandhok met zand dat werd gebruikt voor het schuren van de klompen en een heleboel boerengereedschap. De klompen werden eerst met zand geschuurd en daarna wit gekalkt. Net als grind werd schoonzand ook verkocht voor f 1,20 per kruiwagen. We haalden meestal drie vrachten per jaar.

De Eben-Haëzer met vuil zand in Bleskensgraaf tegenover de begraafplaats. Op dit eilandje heeft Baggermaatschappij Prins uit Sliedrecht een huis gebouwd. De hopen kinderhoofdjes hebben wij daar gebracht in 1955. Foto Jan Bot.

Naast het schoonzand was er ophoogzand, dat ook vuilzand werd genoemd. Dat haalden we bij baggermaatschappij Heuf op de Linge. Het kostte maar f 0,50 per ton, maar het was er ook naar, er zat van alles in, ouwejan en jongejan, van grote keien tot stukken ijzer en staaldraad. Het vuilzand werd aan de boeren verkocht om te gebruiken op de grassilo. Een scheepje of vijf, zes per jaar verkochten we wel. Zand werd ook veel gebruikt bij de woningbouw. Als een huis klaar was werd het rondom helemaal opgehoogd, soms wel een scheepje of zes, ongeveer tweehonderd kubieke meter.

De grindhandel
Vanaf 1954 waren wij met Frans van Genderen uit Oud-Alblas nog de enige schippers op de Graafstroom. Alleen in de herfst bij het varen van pulp kwamen er meer. Zoals bekend ligt er tuingrind op het erf van de meeste huizen en boerderijen. Dat grind gingen wij en Frans van Genderen altijd in de maanden maart en april halen op de Maas in Limburg. Het was een lange reis en we voeren dan samen met de scheepjes naast elkaar vastgemaakt. We hadden op zo’n lange reis dan gezelschap aan elkaar. Bovendien was er slechts één man nodig om het roer te houden zodat de ander dan onderhoudswerk kon doen. Er was altijd wel wat te schrappen en te schilderen, of hij ging de zijkanten in de verlopen olie zetten.
Als er veel regen of smeltwater van boven kwam stond er in de Waal een sterke stroom, waardoor je wel een hele dag aan het roer stond. We waren blij als we aan het eind van de dag in Weurt bij Nijmegen waren. Daar werd geschut en konden we op weg naar de Maas. Op de sluis van Heumen was een kantoor waar vertegenwoordigers van verschillende baggermaatschappijen zaten. Bij hen kon een laadbriefje worden gehaald voor een bepaald grindgat en een bepaalde baggermolen. Soms had je geluk en kon je al in Gennip laden, maar meestal werden we doorgestuurd naar Swalmen of zelfs Maasbracht.
Bij het schutten mochten de scheepjes uit veiligheidsoverwegingen niet naast elkaar blijven, maar direct erna kropen we weer bij elkaar. Bij alle sluizen moest de naam van het schip worden opgegeven en ook waar je vandaan kwam en waar je heen ging. Rijkswaterstaat hield alles goed in het oog. Op de terugreis gebeurde dat opnieuw zodat men kon controleren hoeveel kostbaar grind er werd afgevoerd.
Rijkswaterstaat werd dan ook wel aangeduid met ‘kijken-wat-er-staat en wat-er gaat’. Als de vracht bij de baggermolen geladen was, werd bij de molenbaas afgerekend,43 ton f 1,50 is f 64,50 voor een hele lading.
Als we op maandagmorgen van huis gingen namen we een heleboel proviand mee, maar na een paar dagen moest er wel aangevuld worden met vooral brood en melk. Dat was geen probleem want op bijna alle vaarwegen in Nederland voeren parlevinkers, de proviandscheepjes waar je van alles kon kopen. Ook het oliebootje moest worden aangeroepen, maar meestal kwam het al uit zichzelf langszij. Bij dit bootje waren ook verschillende scheepsbenodigdheden te koop.
De thuisreis verliep anders dan de heenreis, niet naast elkaar maar ieder afzonderlijk, dat ging voor stroom vlugger, maar we bleven bij elkaar. We deden soms vier of vijf reizen, de een vlugger dan de ander en soms alleen, want we verkochten niet allebei evenveel grind.

Brandstoffenhandel
Kolen
Tussen alle andere bedrijven door was er ook nog de kolenhandel. We voeren daarvoor niet meer naar Limburg maar konden ze afnemen van een groothandel in Dordrecht. Achter het huis dat mijn vader in 1932 had gekocht was een flinke ruimte waar hij een paar loodsen had gebouwd van oude materialen. In de zomermaanden kocht hij de wintervoorraad kolen in, een wagon of zeven, acht. De kolen werden met een knijper aan boord gestort, maar het lossen was een ander verhaal. De kolen moesten in zakken geschept en op de rug gehesen worden. Met de zak op de rug moesten we met het trapje uit het ruim klimmen, de weg oversteken, trapje op én de zak leegstorten. Bij een lading van 20 ton moesten er 400 zakken zo vol geschept, gedragen en weer leeggestort worden. Dan kon de volgende vracht gehaald worden en herhaalde zich alles weer. Het was zwaar werk en het was dus geen wonder dat mijn vader krom liep.
Als we hadden gehaald wat nodig was, brachten we rond wat besteld was. De verkoopprijzen waren in1957: antraciet nr.2 f10,50; idem nr. 3 f 11,75; idem nr. a f 12,50; eierkolen f 8,-; cokes f 5,40; alles per hectoliter. Briketten brachten per 50kg f 2,75 op.

Jan Bot tijdens de winter van 1957 met 6 mud kolen, ±420 kg, ter hoogte van Graafdijk-oost 21 in Molenaarsgraaf. Foto Jan Bot.

Vanuit de loods bezorgden we de brandstoffen per bakfiets of transportfiets en met een motorcarrier die wij in 1958 hebben aangeschaft. In de oorlog en daarvoor deden we dat met een handkar of een roeiboot.

Turf
Naast kolen verkochten we ook turf. Mijn vader kocht dat in Vinkeveen, altijd in september. Ze werden met de Dankbaarheid afgehaald, een betrekkelijk eenvoudige reis, maar toch zaten er enkele spannende momenten in. De stroom op de Lek was altijd vrij sterk, maar als de vloed meewerkte waren we soms om tien uur al in Vreeswijk, waar we naar het Amsterdam-Rijnkanaal konden schutten. Tot Loenersloot bleven we op het kanaal, maar daar schoren we bakboord uit en schutten de Demmeriksevaart op. Dat was een heel gebeuren want er lagen bij de sluis een spoorlijn en een verkeersweg naast elkaar met elk een ophaalbrug die met de hand werd bediend. Als er even geen treinen werden verwacht ging de ophaalbrug open en moest het schip snel passeren. Het wegverkeer moest soms wel een kwartier wachten voor de brug weer voor hen openging. Als we de plassen opvoeren was het wel even zoeken waar we moesten zijn. Mijn vader ging zich dan melden bij de leverancier en er kwam dan een groep mensen, mannen zowel als vrouwen en kinderen. Zij vielen op de turfhoop aan als een roedel wolven, de kinderen raapten de manden vol, vijftig turven in een mand. De volle manden werden onder voortdurend hardop tellen door de mannen en vrouwen in het schip gegooid. Een van de vrouwen noteerde op een lei elke honderdste mand. Na vijfhonderd manden werd even gerust en wat gegeten, tot we 110.000 turven aan boord hadden. Mijn vader ging afrekenen en we konden de volgende morgen vroeg weer op huis aan. Als het dan meezat konden we ver voor donker weer in Alblasserdam zijn. We leverden de turf aan kolenboeren langs de Graafstroom en in Brandwijk en Ottoland, maar ook aan onze eigen klanten, beginnende aan het westeinde van Molenaarsgraaf tot de Vuilendam. Met een scheepje turf halen en lossen waren we wel een dikke veertien dagen zoet.

De krullenjongen op de ambachtsschool in 1948. Foto Jan Bot.

(wordt vervolgd)

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ september 2008.