Over A-B-C, aap, noot, mies en veilig leren lezen

Een gangbare methode in het hedendaagse leesonderwijs is ‘Veilig leren lezen”. Hierbij worden tijdens de eerste schooldagen aan de jonge leerling de woorden ‘maan, roos, vis’ aangeboden. Deze woorden worden geanalyseerd en gesynthetiseerd volgens de zogenaamde structuurmethode. Aan deze methode gingen vele andere vooraf zoals het alom bekende leesplankje dat in de geschiedenis van het leesonderwijs een prominente plaats inneemt.

‘De school is een instelling waar men leert lezen en nog een paar dingetjes’, is een uitspraak van onderwijzer/schrijver Theo Thijssen (1819-1943). Hierin komt het belang van kunnen lezen nadrukkelijk naar voren. Het onderscheiden van klanken en letters, deze aaneenrijgen tot woorden, de woorden verbinden tot zinnen en vervolgens de zinnen in een groter verband begrijpen. Voor vrijwel elk kind dat zich deze activiteiten eigen maakt, gaat er een wereld open, een wereld waarin zich tal van nieuwe mogelijkheden tot communicatie, informatieverwerving en ontspanning voordoen.

Latijns alfabet
Dit proces van leren lezen is voor ons – in de eenentwintigste eeuw, in een samenleving die een leerplicht kent en goede onderwijsvoorzieningen – heel gewoon. Anders was dat eeuwen geleden. Vóór de Middeleeuwen was het lezen slechts weggelegd voor een handjevol mensen. De Romeinen die hier in het begin van de jaartelling naartoe trokken, verspreidden het Latijnse alfabet en stichtten scholen waar het lezen onderwezen werd volgens de zogenaamde spelmethode waarbij de afzonderlijke letters aangeleerd werden. Algeheel verbreid werden het alfabet en de vaardigheid van het lezen echter niet, want toen de Romeinen weer uit deze streken verdwenen, verdween het Latijn ook.
Aan het eind van de zevende eeuw, toen het christendom een steeds belangrijker plaats in de maatschappij ging innemen, keerde het Latijn als taal van de kerk echter terug. Doordat het onderwijs in handen was van de kerk, werd het Latijn ook de voertaal in de kloosterscholen, die echter vrijwel uitsluitend bezocht werden door kinderen uit de bovenlaag van de bevolking. Doel daarbij was in de eerste plaats de opleiding van nieuwe geestelijken en andere kerkdienaren.

Er met de paplepel ingieten
Ten tijde van Karel de Grote, die zich erg inzette voor de ontwikkeling van het onderwijs, werd een belangrijke concessie gedaan. Om minder getalenteerden tegemoet te komen werd toestemming gegeven om bepaalde religieuze teksten in de volkstaal te leren. Daarbij werd in de loop van de Middeleeuwen gebruik gemaakt van zogenaamde ‘abc-bordjes’, ofwel ‘hornbooks’. Dit waren stevige, en dus duurzame, plankjes met het abc erop en enkele belangrijke godsdienstige teksten zoals het Onze Vader en de Tien Geboden. Deze plankjes werden in de loop der tijd steeds fraaier. Zelfs werden er eetbare plankjes gemaakt, waarmee de uitdrukking ‘iets er met de paplepel ingieten’ wel een heel letterlijke betekenis krijgt.
Overigens kwam een vergelijkbaar idee bij de bekende humanist Erasmus vandaan. In Hoe wij leren lezen door Piet Hagen (Tilburg, 1984) wordt Erasmus’ voorstel vermeld om letters in de vorm van gebak te maken, zodat het abc er letterlijk ‘in zou gaan als koek’. Het zal trouwens duidelijk zijn dat er door de opkomst van de steden en de groeiende betekenis van de handel steeds meer mensen kwamen, ook buiten de kerk, die op goed (lees)onderwijs aandrongen.

Boekdrukkunst
De uitvinding van de boekdrukkunst bracht uiteraard een enorme verandering in het leesonderwijs teweeg. Abc-bordjes werden in de loop van de vijftiende eeuw steeds meer vervangen door ‘abc-boekjes’. Aanvankelijk waren deze zeer eenvoudig en telden slechts acht bladzijden. Een eeuw later ontstonden uit de bundeling van de abc-boekjes en hun vervolgdelen de zogenaamde Groot abc-boeken, die zestien pagina’s bevatten.
Behalve het abc in verschillende lettertypes bevatten deze uitgaven meestal de Tien Geboden, gebeden, de Geloofsbelijdenis, doopteksten en andere stichtelijke teksten. Dikwijls werden ook de cijfers opgenomen. Afbeeldingen stonden er ook wel in, waarbij veelvuldig een haan als symbool van ijver en waakzaamheid voorkwam. Deze afbeelding werd aangevuld met een toepasselijk rijmpje zoals ‘ ’s Morgens den Haan zijn ijver vroeg bewijst, Leert jonge jeugd dat men u ook zo prijst’. Vandaar dat de boeken ook wel ‘haneboekjes’ werden genoemd.
De abc-boekjes zijn in groten getale verschenen en deden eeuwenlang dienst in het leesonderwijs. Bijzonderheid daarbij is het feit dat de Nederlandse boekjes door de ontdekkingsreizen en vervolgens de kolonisatie over de hele wereld verspreid zijn.

Spelmethode
Zowel bij de abc-plankjes en de abc-boekjes werd gebruik gemaakt van de ‘spelmethode’. Aan kinderen werd geleerd de letters bij hun naam te noemen: aa, bee, cee, enzovoort. Dat het leren lezen zo niet eenvoudig was, moge duidelijk zijn. Immers, hoe leer je een kind dat bee, aa, el het woord bal oplevert. Het verband tussen letter en klank werd niet gelegd. Behalve het leren spellen, moesten kinderen teksten uit het hoofd leren, wat plaatsvond door deze na te zeggen.
Verondersteld mag worden dat dit proces enigszins ondersteunend werkte ten aanzien van het echt leren lezen, maar dat veel kinderen de synthese tot woorden uiteindelijk – soms na jaren – los van enige onderwijsactiviteit en dus op hun eigen manier leerden. Of juist niet! Een groot aantal kinderen verliet namelijk de school zonder de kunst van het lezen onder de knie te hebben.
Daarbij kwam nog dat het onderwijs plaatsvond onder erbarmelijke omstandigheden, in overvolle bedompte ruimtes waar kinderen van alle leeftijden door elkaar zaten. In deze omstandigheden werd hoofdelijk ‘lesgegeven’, dat wil zeggen dat de kinderen om de beurt bij de onderwijzer moesten komen om zich te laten overhoren.

Naar een nieuwe methode
Hoewel er al in de zestiende eeuw kritiek was op de spelmethode en er diverse pogingen tot vernieuwing werden gedaan, duurde het toch nog tot het begin van de negentiende eeuw voordat het Nederlandse leesonderwijs – in samenhang met andere onderwijshervormingen – grondig herzien werd. Van invloed hierop waren de verlichtingsideeën, die onder andere door de on 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in de praktijk werden gebracht.
Leren lezen werd gezien als middel om het volk te verheffen en dus moest het leesonderwijs doeltreffend georganiseerd worden. In plaats van hoofdelijk onderwijs werd klassikaal onderwijs ingevoerd, waarbij kinderen ingedeeld werden naar leeftijd. Deze veranderingen in de organisatie van het onderwijs gingen als vanzelfsprekend gepaard met het zoeken naar nieuwe methodes.

Klankmethode
De spelmethode moest vervangen worden. Na een geslaagd experiment in 1191 van de Leidse kostschoolhouder J.J. Schneither, die een aantal kinderen in korte tijd met behulp van de ‘klankmethode’ de kunst van het lezen bij bracht, was het Pieter Johannes Prinsen (1717 -1854) die een volledig uitgewerkte leesmethode ontwikkelde waarbij uitgegaan werd van de klanken van letters. Uitgangspunt in deze methode waren plaatjes waarbij eenvoudige woorden als spa, slee en drie waren afgedrukt.
Prinsen bood er een breed scala aan hulpmiddelen bij aan, zoals leerlingenboekjes, een uitgebreide handleiding, wandkaarten en letterplankjes.
Zeer opvallend attribuut bij deze methode was de zogenaamde ‘leesmachine’ of ‘letterkast’, die een uitvinding was van Delabame, onderwijzer te Leiden. Zijn uitvinding was geïnspireerd op het werk van de zetters in drukkerijen, die letters uit de letterkast pakten en hiermee woorden samenstelden.
Na een aarzelend begin – veranderingen stuiten immers altijd in het begin op weerstand – was de klankmethode van Prinsen rond 1830 algemeen ingevoerd. De methode bleek zeer succesvol in de bestrijding van het analfabetisme.

Aanschouwingsonderwijs
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd door H. Bouman in het leesonderwijs het ‘aanschouwingsonderwijs’ geïntroduceerd, waarbij gebruik gemaakt werd van wandplaten.
Bouman vervolmaakte de klankmethode van Prinsen door nog meer uit te gaan van hele woorden. Zijn methode De eerste trap varx het leesonderwijs ut aanschottvvingsoefeningen, dertien platen (1866) is gebaseerd op vijftien zogenaamde ‘normaalwoorden’ – betekenisvolle woorden waarin nagenoeg alle letters en tweeklanken zo z:uiver mogelijk voorkomen, te weten roos, peer, hoed, pen, pot, zaag. muur, vat, korf, juk, visch, bijl, schip, wieg en deur.
Dertien wandplaten, waarop de vijftien woorden staan afgebeeld, legden daarbij de verbinding tussen het normaalwoord en de leefwereld van het kind. Naast leesoefeningen bevatte de methode ook kijk- en spreekoefeningen, vertellingen en versjes, schrijfoefeningen en zingen.
In 1880 kwam er een herziene versie van de methode van Bouman op de markt. Hierin had hij gekozen voor andere normaalwoorden, terwijl hij het aan Prinsen ontleende idee om tweeklanken aan te leren als één klank had losgelaten. In de herziene methode werden deze letters niet meer als een samenstelling aangeleerd maar als losse letters.
De normaalwoorden kregen veel navolging. Talloze onderwijzers en auteurs maakten hun eigen serie woorden. Duidelijk is dat dergelijke woorden een onmisbare plaats hadden gekregen in het leesonderwijs.

Leesplankje
Normaalwoorden vormen ook het uitgangspunt van de bekende ‘leesplankjes’, die een volgende stap in de ontwikkeling van het leesonderwijs vormden. Het meest bekend is het aap-noot-mies-plankje van M.B. Hoogeveen (1863-1941), dat in 1910 werd uitgegeven door J.B. Wolters te Groningen. Hieraan gingen echter andere plankjes vooraf.
Hoogeveen, onderwijzer te Deventer, ontwikkelde rond 1894 het eerste plankje. Zijn uitgangspunt was onder andere dat de kinderen een actieve rol moesten hebben bij het leren lezen . Bezig zijn met losse letters zou dit bevorderen. Kern van de methode was het ontleden van woorden in klanken (analyse) en het vervolgens samenvoegen van klanken tot woorden (synthese). Het eerste plankje bevatte andere woorden dan het aap-noot-mies-plankje uit 1910. De eerste versie bevatte de woorden raam, roos, neef, fik, gat, wiel, zes, juk, schop, voet, neus, muur, bijl, hok, duif en ei. Dit plankje werd in 1898 te Deventer uitgegeven door M.D. Brinkgreve.
Het leesplankje voor de leerlingen ging vergezeld van een doosje met letters, een klassikale plank en een uitgebreide handleiding. In deze toelichting stonden niet alleen didactische aanwijzingen, maar ook meer algemene instructies. Zo werd, de onderwijzer aangeraden om een dag voor het gebruik van het leesplankje de leerlingen erop te wijzen dat ze de volgende dag met schone handen op school moesten komen, want, aldus de handleiding, ‘wie vuile handen heeft, mag niet meedoen’.
Ongeveer gelijktijdig vervaardigde een collega van Hoogeveen, J.H. Colenbrander, ook een plankje. Hierop komen de woorden geit, zeep, does, hout, roos, wiel, haan, beuk, duif, schuur, mes, vat, bijl, hok, juk en wip voor. De overlapping zit dus in de woorden roos, wiel, juk, hok, duif en bijl. Dit plankje werd in 1902 uitgegeven door A.E. Kluwer te Deventer, aanvankelijk uitgevoerd in papier, later in hout.

Verbeterde methode
Hoogeveen ging door met de ontwikkeling van zijn leesplankje. Hij verbeterde de methode en koos voor een nieuwe reeks woorden, welke begon met het overbekende aap, noot, mies. Zijn verbeterde methode werd uitgegeven door J.B. Wolters in 1901. Opvallend was het grote aantal namen en dieren op het plankje. Alleen noot, vuur, weide en hok zijn niet levend.
Via uitgever Wolters kwam Hoogeveen in contact met Jan Ligthart (1859-1916), Hindericus Scheepstra (1859-1913) en Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses tekende nieuwe plaatjes en schilderde de vertelselplaat Teun en de aap in de dakgoot, waarop alle woorden van het leesplankje voorkomen. De bijbehorende leesboekjes herschreef Hoogeveen samen met Ligthart en Scheepstra. Jetses tekende voor deze boekjes, met Ot en Sien als hoofdpersonen, de plaatjes.
Aldus kwam een methode voor het leesonderwijs tot stand, die door Wolters in 1910 op de markt werd gebracht als Hoogeveens ‘verbeterde methode’ en die tot ver na de Tweede wereldoorlog een vaste plaats in het onderwijs innam.

Hoogeveens verbeterde leesplanke (circa1910) met illustraties van Cornelis Jetses. Uitgave firma Brinkreve, Deventer. Collectie: Nationaal Schoolmuseum, Rotterdam.

Meer plankjes
In 1908 verscheen bij Wolters een bewerking van Hoogeveens raam, roos, neef-plankje voor de scholen in Nederlands-Indië. Deze bewerking was van de hand van Th.J.A. Hilgers en bevatte de volgende woorden: muur, roos, vaas, neus, wiel, zus, geit, schoen, jas, mes, been, bijl, duif, hok en kip.
In 1917 verscheen Hoogeveens verbeterde methode in een aangepaste versie voor het onderwijs in Nederlands-Indië met de woorden jaap, gijs, dien, zus, boe, oom, waf uur, rook, tol, zeil, de, neus, het, huis, een en schip. A.F. ph. Mann schreef hierbij een serie leesboekjes, getiteld Van vier kinderen.
Hoogeveens methode werd ook bewerkt voor het christelijk onderwijs. Het bekende leesplankje werd gehandhaafd, maar de leesboekjes werden in 1932 aangepast door A.J. Drewes door toevoeging van enkele gebeden en psalmen.
Voor het katholieke onderwijs werd in 1905 een leesmethode met plankje ontwikkeld door frater Euthymius Becker, dat begint met de woorden, aap, roos, zeef en uitgegeven werd door het R.K. Jongensweeshuis, Tilburg. Opvallend zijn de woorden hok en bok, waarmee twee verschillende o-klanken onderscheiden worden. In Hoogeveens eerste plankje is dit onderscheid niet opgenomen, in zijn herziene plankje wel. In 1910 werd het plankje van Becker overgenomen bij de nieuwe leesserie Ik lees al van frater Jozef Reynders en frater Nicetas Doumen.
Ten behoeve van het Joodse onderwijs werd een leesplankje vervaardigd met Hebreeuwse letters.

Na het leesplankje
Het gebruik van leesplankjes heeft tot ver na de Tweede Wereldoorlog – zelfs in de jaren zeventig werden nog herdrukken uitgegeven – stand gehouden in het onderwijs. De ontwikkeling van het leesonderwijs is echter niet gestopt bij het leesplankje. Zo ontstond rond 1930 de globaalmethode, die uitgaat van een beperkt aantal zinnen. In deze methode komt het analyseren op de tweede plaats.
Eerst komt het herkennen en onthouden van de totale zin, daarna komt als het ware spontaan het ontdekken van de verschillende delen. Van kindertaal tot moedertaal door F. Evers, R. Kuitert en L van der Velde is een voorbeeld van deze globaalmethode.

Oorspronkelijke omslag van Veilig leren lezen, de methode die na Zo leren lezen ontwikkeld werd.

Vervolgens deden omstreeks 1950 de eerste ‘structuur- of analogiemethodes’ hun intrede in het leesonderwijs. Analyse en synthese horen hierin bij elkaar, waardoor leerlingen al meteen beginnen met lezen. In Zó leren lezen van frater Caesarius Mommers werd deze methode geïntroduceerd. Hieruit ontstond later Veilig leren lezen, de methode die in de introductie van dit artikel werd genoemd. Hiervan werd in 1980 een tweede herziene versie op de markt gebracht, die zeer snel populair werd.
Momenteel neemt de methode nog steeds de belangrijkste plaats in het leesonderwijs in, doch daarnaast zijn er andere methodes ontwikkeld zoals De Leeslijn, De Leesbus en De Leessleutel. Gezien de ontwikkelingen in het onderwijs is het zeer de vraag of de hier genoemde leesmethodes eenzelfde levensduur zullen hebben als Hoogeveens verbeterde leesmethode uit 1910.

Bron: Dit artikel is met toestemming van de uitgever en de auteur overgenomen uit Traditie, het tijdschrift over Tradities en Trends, voorjaar 2001. Uitgave van Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Utrecht.

 

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ juni 2007.