Reizend met een hondenkar door de historie

Een terugblik in de tijd met een bekend transportmiddel.
Een bijzondere ontdekking is meestal het begin van een bepaalde hobby en vooral als dit ook nog bepaalde raakvlakken heeft met jezelf. Dit gebeurde ook zo met het opsporen en verzamelen van allerlei gegevens over het transportmiddel ‘de hondenkar’.

Inleiding
Door een eerder opgestart stamboomonderzoek kwamen bijzondere zaken uit het verleden naar boven. Zo zocht ik naar gegevens van mijn overgrootvader Adriaan Willemen uit Gilze. Uit verhalen van diverse inwoners uit de gemeente Gilze en Rijen was ik te weten gekomen dat hij een bijzondere man was geweest. Hij werd op 17 september 1861 te Gilze geboren en overleed op 1 november 1932 eveneens in Gilze. Deze man beoefende diverse soorten beroepen uit. Zo was hij, landbouwer, opperman, geitenfokker, imker, bijenwaskaarsenmaker. Daarnaast ventte hij dagelijks met een petroleumhondenkar langs zijn vaste klantenkring. Voor de wagen stond een grote bouvier, die naar de naam van Bruto luisterde. Het venten heeft hij ongeveer tot het eind van de twintiger jaren van de vorige eeuw gedaan.
De kennis die bij zo’n onderzoek is opgedaan, kan men ook overbrengen op andere geïnteresseerden. Dit kan onder meer door het beantwoorden van vragen en het geven van informatie hierover. Ook het verzorgen van lezingen of het meewerken aan tentoonstellingen over de verschillende raakvlakken met hondenkarren behoren tot die mogelijkheden. Maar ook het schrijven van artikelen in tijdschriften of heemkundige publicaties over dit verdwenen transportmiddel draagt zo een steentje bij aan de bekendheid van dit fenomeen uit onze historie.

Het werk met de hondenkar in het algemeen
Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw kwam de hondenkar vrij algemeen in het straatbeeld voor. De trekkracht van de hond bleek de mens goed van dienst te kunnen zijn. Uit schilderijen en allerlei andere bronnen is bekend dat er al rond 1675 hondenkarren in het straatbeeld van Nederland voorkwamen. De Amsterdamse overheid vond ze zo storend dat ze in dat jaar verbood groote honden of rekels voor wagens met een of twee wielen te spannen. Deze verbodsbepaling werd meer dan eens opnieuw uitgevaardigd. Een soortgelijke maatregel werd door het stadsbestuur van Rotterdam genomen. De definitieve doorbraak van de trekhond met de hondenkar dateert in Nederland omstreeks 1800. Van andere landen zoals België, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen en Zwitserland zijn gegevens bekend dat er in de periode 1800 tot ongeveer 1950 met hondenkarren werd gewerkt. In Denemarken was het werken met de hond en de hondenkar niet toegestaan, en in Parijs werd het rond 1824 verboden. Engeland verbood vanaf 1855 om de hond met de hondenkar te gebruiken.

Deze foto is gemaakt in de Dorpsstraat van Oud-Alblas ter hoogte van drukkerij Gelderblom. De persoon naast de hondenkar is Teunis Aaldijk, kruidenier. Foto collectie HVB.
Deze foto is gemaakt in de Dorpsstraat van Oud-Alblas ter hoogte van drukkerij Gelderblom. De persoon naast de hondenkar is Teunis Aaldijk, kruidenier. Foto collectie HVB.

Ingespannen voor-, onder-, of achter de kar liet de mens de hond voor hem werken. Een van de reden om dit dier in te zetten was, dat de hond een goedkopere ‘werknemer’ was dan bijvoorbeeld een paard. Het dier was meestal voor een lage prijs aan te schaffen. De hond stelde geen hoge eisen onder meer aan zijn of haar voeding, onderkomen of verzorging. Het dier nam meestal genoegen met wat de pot schafte. Dit wil zeggen, dat het beest at wat hem voor gezet werd. De maaltijden van toen bestonden hoofdzakelijk uit etensresten, brood, groenten en slachtafval.
Zijn huisvesting was een beschut onderkomen tegen wind, regen, zon, sneeuw en kou. Het bestond hoofdzakelijk uit een getimmerde constructie van houten balken en planken. Ook kwam het voor dat een oud olievat, als onderkomen dienst deed. Aan het onderkomen werd meestal een lange ketting of een dik touw vastgemaakt. Zo had het dier wat vrijheid om te kunnen lopen. Dit was nodig om zo vreemde en ongenode gasten van het terrein te weren. In veel gevallen had de begeleider van een hondenkar meerdere honden ter beschikking die ingespannen konden worden.
Op die manier werd de ene dag één of meerdere honden voor het werk met de hondenkar ingezet, en de volgende dag waren de andere dieren aan de beurt. De honden die niet met de hondenkar dienst deden, werden aan de ketting gelegd en waren zo die dag gewoon als bewakingshond in dienst. Eigenlijk waren ze zo vierentwintig uur per dag in dienst van hun baas.

Onderhoud hond en kar
Een hondenkarbegeleider of -eigenaar zorgde vrij goed voor zijn hond(en). Hij onderzocht zijn dieren regelmatig op verwondingen en lichamelijke gebreken.
Ook onderhield hij de hondenkar door regelmatige smeerbeurten van de wielassen en draaipunten te geven. Bij controles van de hondenkar werden ook het houtwerk en het ijzerbeslag van de wagen niet vergeten. Kon hij de nodige reparaties niet zelf uitvoeren, dan werd de hondenkar naar de plaatselijke wagenmaker of smid gebracht. Was de hondenkar aan vervanging toe of was het besluit gevallen om een nieuwe wagen aan te schaffen, dan werd ook weer de wagenmaker ingeschakeld. Op aanwijzingen en informatie van zijn klant werd een nieuwe hondenkar gemaakt.

Hendrik Groenewegen uit Sliedrecht met zijn klompenhandel op het Westeinde van Wijngaarden. Foto collectie HVB.
Hendrik Groenewegen uit Sliedrecht met zijn klompenhandel op het Westeinde van Wijngaarden. Foto collectie HVB.

Hondenrassen
Een hondenkarbezitter was beroepsmatig afhankelijk van de hond (-en) en wagen. Dit vervoermiddel zorgde er namelijk voor dat er bepaalde middelen voor het levensonderhoud van het gezin binnenkwam. Zo is het bekend dat er verschillende hondenrassen, maar ook bastaarden waren die hun werk met de hondenkar hebben verricht. We zullen hier enkele voorouders van de huidige bekende hondenrassen vermelden zoals Belgische Mastiff, Bouviers, Deense doggen, Duitse herders, Groenedalers, Hollandse herders, Mechelse herders, Pyreneese berghonden, Sennehonden en Siberische Husky’s. Maar ook het inmiddels uitgestorven Belgische hondenras Matin Belge heeft veel vrachten met de hondenkar vervoerd. Dit ras zal door ons in het verhaal nog verder belicht worden.

Tuigmateriaal
Om de hond voor-, onder- of achter de hondenkar in te spannen had men lederen tuigmateriaal nodig. Een andere benaming hiervoor was het woord ‘getuig’. Dit bestond hoofdzakelijk uit een aantal riemen, die op een bepaalde wijze in elkaar werden vastgemaakt. Zo was er het bekende borsttuig dat uit een aantal riemen bestond. Hieraan zaten onder meer een tweetal riemen met lussen, waarin de burries van de wagen werden geschoven. Aan het einde van de twee lange riemen van dit borsttuig kwamen dan enkele ijzeren kettingen of lederen riemen. Deze werden aan de haken, die onder de hondenkar waren geconstrueerd, vastgemaakt.
Het kwam ook voor dat de hond een hondenzadel op zijn rug kreeg. De bedoeling hiervan was onder meer dat de burries door de los hangende lussen van het zadel werden geschoven. Door deze methode hing de wagen langs de rug van de hond. Vervolgens kreeg het dier zijn borsttuig hierover aan. Bij het inspannen van de hond voor de hondenkar werd als volgt gewerkt. Allereerst kreeg de hond het zadel op zijn rug. Hieraan zaten enkele riemen. Deze werden onderlangs aan de onderzijde van de buik van het dier vastgemaakt. Vervolgens werd het borsttuig losjes over de kop van de hond gedaan. De verschillende riemen van dit getuig werden vervolgens los langs de hond op de grond gelegd. Dan werd de hondenkar gepakt. Vervolgens werden de bomen van de burries, die aan weerszijden van de hond kwamen, door de lussen van het hondenzadel geschoven. De losse riemen, met de bevestigingskettingen, werden dan beetgenomen en langs het dier aan de hondenkar vastgemaakt. Kwam de hond te los voor de hondenkar te staan, dan werden de riemen van het borsttuig strakker aangegespt. Met de combinatie van hondenzadel en borsttuig kreeg men een betere verdeling van de last op de rug van de hond. Het hondenzadel was van leer gemaakt en opgevuld met stro of paardenhaar. Het is bekend dat bepaalde honden een zogenaamde hondenhaam voor de hondenkar droegen. Dit is een soort juk om de nek van het dier. Het is te vergelijken met de hamen die bij de paarden gebruikt worden en zo ingespannen staan voor de prachtig versierde koetsen en wagens. Het is bekend dat vele hondentuigen en hondenzadels door bekende zadelmakers werden gemaakt. De riemen van het borsttuig werden meestal van gebruikt leer gemaakt. Hiervoor gebruikte de zadelmaker de afgedankte leren drijfriemen van de grote stoommachines die toen in de fabrieken werden gebruikt. Van dit afvalproduct werden dan de riemen op maat gesneden. Het voordeel hiervan was dat het leer goed uitgerekt en vettig was door de olie die afkomstig was van de machines. Hierdoor was het een stevig geheel en zodoende geschikt voor dit tuigwerk van de hondenkar.

Trekhondenwet
Voor het maken en de afmetingen van het hondentuig waren diverse voorschriften in de Trekhondenwet van 1910 opgenomen. Ook was het voorgeschreven dat de hond een muilkorf moest dragen. Als reden hiervoor werd opgegeven, dat de honden die de hondenkar moesten trekken vals waren en graag naar mensen beten. Dit is eigenlijk niet helemaal juist. De honden die dit soort werk moesten doen, werden meestal door omstanders geplaagd. Als afweerreactie gingen de ingespannen dieren grommen, blaffen en soms maakten ze ook bijtbewegingen naar de mensen. Om geen hondenbeet op te lopen werd er door de regering de verplichting opgelegd dat de dieren een muilkorf moesten gaan dragen.

Jan Verschoor met zijn oliekar voor de boerderij van J. Aantjes in Wijngaarden. Foto collectie HVB.
Jan Verschoor met zijn oliekar voor de boerderij van J. Aantjes in Wijngaarden. Foto collectie HVB.

Gebruikers van de hondenkar
Allerlei lasten en vrachten werden zo per hondenkar vervoerd. Hondenkarren waren vooral populair bij: bakkers, boeren (ofwel landbouwers), eierhandelaars, expediteurs, fotografen (die meestal rondtrokken), groenteboeren, imkers, kaasventers, krantenbezorgers, kruideniers, kruiers, looiers, marskramers, melkventers, petroleumventers, poeliers, postbode(-bezorger), scharenslijpers, schoenlappers, slagers, straatvegers, visventers, verhuizers, en diverse andere vormen van verkopers(-sters) met de hondenkar. Een opvallende verschijning in het straatbeeld van vroeger was de petroleumventer, die bij de plaatselijke bevolking beter bekent stond als d’n olieboer. Zij leverden bij de mensen de bekende bronolie en door de trekkracht van de hond te gebruiken werd het vele sjouwwerk dat zij moesten verrichten wat lichter. Deze beroepsgroep verkocht hun koopwaar meestal in de zogenaamde 5 liter petroleumkannetjes. Ook kwam het voor dat er vanuit een olievat werd verkocht. Deze hadden dan een inhoud van ongeveer 80 tot 120 liter. Soms werd naast petroleum hierbij ook steenkool verkocht. Vanaf de jaren dertig verdwijnt de hondenkar meer en meer uit het straatbeeld. De opkomst van elektriciteit deed de rest en zo verminderde de vraag naar petroleum of andere koopwaren en werden de bezorgafstanden steeds groter. Er waren andere vervoermiddelen in zwang gekomen. De trekhond werd vervangen door het paard en de hondenkar kon op stal. Bovendien was de regelgeving rond de inzet van trekhonden in de loop der jaren een stuk scherper geworden.

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’  juni 2006.