Van krullenjongen tot rietdekker – deel 1

Als men van iemand wil weten wie hij is, luidt dikwijls de vraag: ‘Van wie ben jij er een?’ Op een dergelijke vraag kan ik antwoorden: ‘ik ben Jan Cornelis Bot, geboren in 1936, zoon van Arie Bot. Mijn grootvader heette eveneens Arie Bot en met hem begint mijn geschiedenis.

Mijn grootvader is in 1868 in Nieuwland geboren. Hij trouwde in 1893 met Fransina de Graaf (1867-1955) uit Brandwijk. Zlj gingen wonen in Langerak omdat mijn grootvader beroepsvisser was op de Lek met als specialisatie de zalmvisserij. Tijdens de uitoefening van zijn beroep is hij op 33-jarige leeftijd verdronken. Mijn grootmoeder ging na zijn overlijden met haar twee kinderen terug naar haar geboorteplaats Brandwijk, waar ze gingen wonen in een klein huisje achter Café

Opoe Sientje Bot omstreeks 1954. Foto Jan Bot
Opoe Sientje Bot omstreeks 1954. Foto Jan Bot

Boerenklaas. Opoe verdiende de kost voor haar gezin met allerlei werkzaamheden, ze waste kleren voor anderen en waste en streek de in de waard veel gedragen neepjesmutsen. Ze droeg ook zelf zo’n muts. Maar de belangrijkste bron van inkomen was wel het bakeren, het verzorgen van kraamvrouwen en hun kind. Ze overleed op 88-jarige leeftijd.

Toen mijn vader elf jaar was geworden kreeg hij van zijn moeder te horen, dat hij genoeg had geleerd en nu maar eens moest gaan verdienen, want elk dubbeltje was er een. Hij was altijd een klein mager mannetje en dat zal toen hij elf was niet anders zijn geweest. Hij is bij een klompenmaker in de leer geweest, maar daarvoor was hij te licht gebouwd. Toen hij vijftien jaar was is hij schippersknecht geworden bij Teunis Kroon in Molenaarsgraaf. Zijn schippersleven is daar dus begonnen. Mijn vader trouwde op 1 mei 1924 met de vijf jaar jongere Aaltje Annigje Stam uit Brandwijk. Ze gingen wonen achter de timmerwinkel van Kees van Kleef in Gijbeland. de broer van mijn opoe, Adrianus van Huuksloot, was schipper in Bleskensgraaf en had een zeilscheepje te koop dat de welluidende naam Koopmans Welvaren droeg. Mede op aandringen van mijn moeder kocht mijn vader dat scheepje en doopte het om in Dankbaarheid. Het was slechts twaalf last of vierentwintig ton groot.

Het scheepje De Dankbaarheid voor de wal bij J.C. van Kleef in Gijbeland. Vader Arie Bot (1895-1962) en moeder Aaltje Stam hebben achter de timmerwinkel van J.C. van Kleef gewoond. Rechts café Boerenklaas waarachter opoe Sientje Bot-de Graaf woonde. Foto archief HvB
Het scheepje De Dankbaarheid voor de wal bij J.C. van Kleef in Gijbeland. Vader Arie Bot (1895-1962) en moeder Aaltje Stam hebben achter de timmerwinkel van J.C. van Kleef gewoond. Rechts café Boerenklaas waarachter opoe Sientje Bot-de Graaf woonde. Foto archief HvB

De kolenhandel
In de twintigerjaren van de vorige eeuw begon mijn vaders carrière als kolenboer. Hij zeilde met zijn scheepje naar de kolenmijn Oranje Nassau in Limburg om kolen in te slaan. Hij kocht voornamelijk ongesorteerde stukkolen, dat waren grote stukken van diverse afmetingen. Hij kreeg zijn handel zo uit de mijn aan boord. Naar grootte werden de kolen van nullen tot vijfjes genoemd. de grote nullen sloeg hij met een grote hamer kapot tot meer verhandelbare stukken. Stukken ongeveer zo groot als een suikerbiet waren den enen, de tweeën waren zo groot als een vuist, dan volgden in grootte de drieën en viertjes. De kleinste, de vijfjes, waren vrijwel niet verkoopbaar. De kolen werden door de mijn per ton verkocht.
Zo’n tocht naar Limburg was geen kleinigheid met alleen de wind als krachtbron. Hij moest eerst in Dordrecht zien te komen en kon dan, als hij het goed had berekend, van daar gebruik maken van het getij. Als de wind tegen zat was het een heel eind tot Nijmegen. Vandaar ging hij via sluizen naar de Maas en daar weer tegen de stroom in naar het zuiden, waarbij dertig meter ‘geklommen’ moest worden via weer de nodige sluizen. De terugvaart ging veel sneller, van stroom af en als het getij ook nog mee zat was het tot de haven van Alblasserdam een peulenschilletje. Op de Graafstroom moest weer geduwd worden en zo kwam hij na ongeveer veertien dagen weer thuis en kon de kolenverkoop beginnen.

De oorlogstijd
In de oorlogstijd was er in de kolenhandel niet veel te doen. Mijn vader scharrelde wat bij de boeren, handelde in turf en wist voor anderen melk, boter en kaas te ruilen tegen kolen. Zo rommelde hij de oorlog door. Ik weet nog dat er in de keuken op een keer drie volle bussen met melk stonden, bijna honderd liter. Dat had te maken met een staking op de melkfabriek. Waar ze vandaan kwamen weet ik niet, maar er waren soms ook suikerbieten, waar een lekkere zoete stroop van werd gemaakt. We hadden een groentetuin waar van alles werd geteeld, als het maar eetbaar was en de maag vulde.

Vrachtvaart
Naast de kolenhandel voer mijn vader ook voor veevoerhandelaren naar de Zaanstreek om veevoer te halen. Dat veevoer werd bij de fabriek in zakken in het schip geladen, maar op de plaats van bestemming moesten de zware zakken op de schouders van het schip naar de wal gedragen worden.
Naast de Zaanvaart onderhield mijn vader ook nog een beurtdienst op Dordrecht. Mensen konden goederen aan hem meegeven naar Dordt waar ze zonodig met een andere beurtschipper verder konden worden gezonden. Omgekeerd bracht hij goederen mee die bestemd waren voor mensen langs de Graafstroom, die hij tegen betaling aan huis bezorgde. Deze beurtdienst deed hij maar twee jaar, waarna Verloop uit Alblasserdam, met een vrachtauto, hem ovemam.
Voor rietdekkers langs de Graafstroom haalde hij ook riet aan het Elshout in Kinderdijk. Dat ging per bos en de schipper werd geacht mee te laden en te lossen.
Hij moest ook eens een as van een molen van ongeveer 10 ton naar een sloperij in H.LAmbacht brengen. Het was een groot en moeilijk karwei om de as bij het scheepje te krijgen. Maar het lukte. Om het scheepje te sparen had men er balken over gelegd en daar moest de as op worden gerold. Hij moest goed worden geschoord om te voorkomen dat hij bij een dwarsscheepse slingering zou gaan rollen. Hij is veilig bij de sloperij aangekomen en daar werd hij met een hijskraan aan wal gezet. Een fluitje van een cent vergeleken bij alle moeite die het laden had gegeven.

Zeilen was op de Graafstroom niet mogelijk, er waren teveel bochten en bomen langs de kant, en er waren tot Alblasserdam vier bruggen. Er moest dus geduwd worden en dat gebeurde met een mooie lange en gladde stok, de zogenaamde boom, van ongeveer zes meter lengte. Aan de onderkant zat een ijzeren pen om wegglijden op een zanderige bodem te voorkomen, en een hiel om er voor te zorgen dat hij niet in een modderige bodem kon wegzakken. Aan de bovenkant zat een zogenaamde druif, een mooie ronde knop die tegen de schouder werd gezet om te duwen. Het duwen begon aan stuurboordzijde op het voorschip en al duwend liep men naar het achterschip. Voordat men opnieuw naar voren ging werd zonodig de koers gecorrigeerd.
Op een zaterdagmiddag, het was nog voor de oorlog, bracht mijn vader het schip naar Alblasserdam, maar daar aangekomen kwam hij er achter dat hij zijn fiets vergeten was mee te nemen. Er zat niet anders op dan maar naar huis te gaan lopen. In Oud-Alblas zag hij een fiets tegen de kerk staan en zich niet lang bedenkend nam hij die fiets en peddelde naar Molenaarsgraaf. Daar zette hij de fiets tegen de kerk, met de gedachte dat het voor die fiets niets uitmaakte tegen welke kerk hij stond. Hij had het geluk dat die fiets er op maandagmorgen nog steeds stond, zodat hij hem weer kon gebruiken om naar Oud-Alblas te fietsen. Hij liet hem daar weer achter met groeten aan de eigenaar.
Het gebeurde eens dat mijn vader al bomend bij Bleskensgraaf met de ijzeren punt van de stok een blindganger uit de oorlog raakte. Er spoot een waterzuil omhoog, maar de schade bleef beperkt tot wat dode vissen.

Tot zover betreft mijn verhaal voornamelijk mijn vader, en wat ik daarover heb geschreven is mij uit overlevering bekend. In volgende afleveringen mijn eigen verhaal.
Wordt vervolgd.

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ maart 2008.