Visserijbedrijf West-Alblasserwaard

Het was in 1917 dat mijn vader Rokus Prins (1897-1970) trouwde met Sijgie Hendrikje Wemmers (1893-1986) en in Bleskensgraaf ging wonen. Rokus was een zoon van Jan Prins die watermolenaar en visser was en op de achtkante molen in Groot-Ammers woonde. Het vissen zat mijn vader in het bloed en daarom begon hij een visserijbedrijfje op Hofwegen in een gedeelte van de oude boerderij van de familie Wemmers.

Het pachten van viswater
Met vergunningen van watereigenaren en het pachten van viswater begon zijn ideaal grotere vormen aan te nemen. In die tijd was hij niet de enige visser in deze omgeving want bijna alle watermolenaars bevisten het water in de polder die zij bemaalden. Maar Rokus had zijn oog meer gericht op het grotere water zoals de Alblas, de Graafstroom en de boezems van de Nederwaard en de Overwaard. Zodra de kans zich voordeed, pachtte hij het visrecht van de familie Rijkee te Alblasserdam. Dat was een heerlijkheidrecht vanaf de Krom in Oud-Alblas tot aan de sluis te Alblasserdam inclusief de Groep in het Kooiwijk en het Hofserak aan de westzijde van Hof Souburg. Wellicht heeft de familie Rijkee het visrecht ten tijde van de ruilverkaveling overgedaan aan de Nederwaard. Vader pachtte altijd het volledige visrecht maar toen dit werd overgenomen door de Nederwaard werd het gesplitst. De grondvis, paling en zeelt was voor de beroepsvisser en de schubvis voor de sportvisser.
Het nieuwe waterschap vanaf de Kortlandsebrug tot aan de Blokkerse molen pachtte hij van de Nederwaard. Later pachtte hij de Graafstroom vanaf de Krom tot aan de grens van Bleskensgraaf en Molenaarsgraaf van de familie Van der Elst uit Naarden. Dit visrecht is een heerlijkheidrecht en is ook nu nog eigendom van familie Van der Elst.
Het water van de polders Molenaarsgraaf en Gijbeland was eigendom van de boeren. Molenaar Niek Sterrenburg viste in de polder van Molenaarsgraaf. De firma Van Wijk uit Groot-Ammers had het viswater van de polder Gijbeland in pacht. En ieder hadden ze de helft van de Graafstroom, zodoende visten ze elk aan een kant van de Graafstroom. Deze verhouding gaf nogal eens problemen.
Na de ruilverkaveling werd het waterschap de Nederwaard eigenaar van het visrecht van de boezems en de hoofdwatergangen in de polders. Hierdoor hadden de boeren geen visrecht meer in hun weteringen en vlieten. De vissers moesten het visrecht pachten van het waterschap. Wij pachtten toen het visrecht van de Vuilendam tot de Blokkerse molen in het nieuwe waterschap en enkele polders van het waterschap de Nederwaard. Een uitzondering hierop is het heerlijkheidvisrecht in Bleskensgraaf dat eigendom is van de familie Van der Elst. Dit visrecht wordt nog steeds door ons gepacht. In het waterschap de Overwaard pachtte vader vele jaren vijf kilometer water in de boezem vanaf de Zijdebrug tot aan de Voetstapbrug, bij de Middelweg.

Compagnon
Omdat vader het werk niet meer alleen aankon, werd Leen Stigter uit Alblasserdam zijn compagnon. Deze viste in de zomer op paling en zeelt rond Alblasserdam en in de herfst en winter visten ze samen met nog een paar knechts met groter materieel op snoek en witvis. Zo heeft hij, ondanks het feit dat zijn gezin uitgebreid was met negen kinderen, de crisistijd van de jaren dertig van de vorige eeuw kunnen overleven. Hij heeft nooit steun aangevraagd, hij heeft zich steeds kunnen redden. En daar was hij trots op.

Sijgje en Rokus Prins met hun negen kinderen.
Foto Jan Prins

Zoon Jan komt in dienst
In 1940 kwam ik (Jan 1927) van de lagere school en moest direct aan het werk in het bedrijf van vader Rokus. Ik had graag verder willen leren maar ze konden hun inkomsten niet missen. Vooral tijdens de paaitijd van de witvis in de meimaand was het goed paling vangen. De paling kwam dan de kuit van vis eten.
Samen met Leen Stigter visten we met een groot aantal palingfuiken in de boezem van de Overwaard. We moesten dikwijls heel vroeg uit bed om ’s morgens om half vier bij molens van de Kinderdijk te gaan vissen. Ongeveer op de plaats waar nu het sluisje is, trokken we samen de schouw, een visboot met bun, over de middenkade. Als we klaar waren, moesten we weer hetzelfde doen maar dan ook nog met de gevangen paling in de bun.
Visser is lichamelijk een zwaar beroep, je moet dikwijls vroeg uit bed en in weer en wind je werk doen. In de winter zelfs met een laagje ijs op het water.
’s Middags ging ik dan weer fuiken lichten in de polders waar we vergunning van de boeren hadden om te vissen. Vader viste met een groot aantal fuiken op de Graafstroom. In de herfst en winter, als je door weersomstandigheden niet kon vissen, gingen we bij de boeren mollen vangen. In het voorjaar en de zomer als er niet gevist kon worden, werkte ik bij de boeren en vader boette de netten.

Drie vissers in ong. 1940.
V.l.n.r. Jan Prins, Steven van Klei en een onbekende.
Foto Jan Prins

Oorlogsperikelen
In de oorlog hebben we veel problemen gehad met de NSB-burgemeester van Alblasserdam. Hij wilde dat wij onze vis aan hem leverden voor zijn Duitse vrienden. Maar wij vingen nooit veel want mensen uit de stad die op zoek waren naar voedsel stonden te wachten als wij onze netten ophaalden. Vader verkocht de vis voor de normale handelsprijs en het restant werd door Leen Stigter naar de burgemeester gebracht.

Negatieve gevolgen sportvisserij
In 1945 kreeg ik verkering met een meisje uit Brandwijk. In 1951 vertelde ik mijn vader dat we eigenlijk wilden trouwen en vroeg hem of er voor mij nog een toekomst was in de visserij. Hij zei: ‘Jongen, door het steeds meer uitbreiden van de sportvisserij zijn onze mogelijkheden zo beperkt geworden dat je beter naar iets anders kunt uitkijken’. Ik ben toen vertegenwoordiger geworden. Dit had als voordeel dat ik het werk zelf kon indelen en zo het vissen nog kon bijhouden. Na het overlijden van vader in 1970 werd het viswater op mijn naam overgeschreven. We zijn toen gestopt met groot materieel, zoals de zegen, te vissen want inmiddels was Leen Stigter ook een oude man geworden.

Een nieuwe manier van vissen
Nadat ik in 1986 met de VUT ben gegaan heb ik nog verschillende jaren gevist. In 1990 hebben we in de hele Graafstroom en Alblas van de Vuilendam tot de Kinderdijk nog een keer met de viszegen gevist, er was een ziekte ontstaan onder de brasem. Alle bliek en brasem is toen afgevoerd naar een vismeelfabriek. Het bleek een goed besluit te zijn geweest want nadien kwam je bijna geen zieke brasem meer tegen. Noodgedwongen zijn we eind jaren tachtig begonnen met de elektrovisserij. Dat is een mooi systeem, je vist heel selectief en alleen wat geschikt is neem je mee en de rest zwemt weer weg. In het begin was het wel wennen maar om te kunnen blijven vissen, moesten we deze beslissing nemen. We hadden veel schade door het stelen van palingfuiken en de kleine motorbootjes van de jeugd. Soms werden we gebeld met de mededeling dat onze fuiken lagen te drijven.

De volgende generatie
Toen ik ouder werd, heeft schoonzoon Henk Erkelens alles overgenomen. Hij is nu pachter van al mijn viswater en samen met zijn vismaat Cees Noorlander maken zij er een mooi visbedrijfje van. En ik kijk toe, er is een tijd van komen maar ook van gaan. Dat moet je op tijd waarnemen en in uitvoering brengen.

Bleskesngraaf, februari 2008.

Rokus Prins vist met een schakel van 80 meter op de Graafstroom bij Hofwegen-Meulenbroek.
Foto Jan Prins.

Dit artikel is reeds eerder verschenen in verenigingsblad ‘De Binnenwaard’ juni 2010.